Elsje - Kostenloses Hörbuch
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk VI. Nieuwe Kennissen.
Hoofdstuk VI.
Nieuwe Kennissen.
“Nog eens, Elsje, doe nu vooral je best, aardige, beschaafde, damesachtige manieren aan te nemen,” begon mevrouw d’Ablong weer in het rijtuig. “Die drift zooeven bij den kapper stond je bij voorbeeld weer heel leelijk. Neen, neen, zucht nu maar niet zoo ongeduldig en schuif ook niet zoo heen en weer op de bank. Je zult werkelijk met veel meer plezier bij ons logeeren, als je zelf probeert wat in den smaak te vallen. Het is voor Cécile ook niet prettig, als je zoo’n burgelijken indruk maakt. Wil je me nu beloven goed op te letten hoe Cilly en ik ons gedragen?”
“Ja tante,” zei Elsje, zoo kalm als het haar mogelijk was, “maar ik verlang er in het geheel niet naar om een modepop te worden. En grootmoeder zegt nooit iets van mijn manieren!”
“Wij spreken nu niet over grootmoeder, kind, maar wij hebben het erover hoe je je hier gedragen moet. Je kondt onmogelijk beter voorbeeld hebben dan Cilly. Zij heeft onberispelijke manieren, al heeft ze natuurlijk ook veel voor omdat ze zoo beelderig mooi is en dat....”
Zij eindigde den zin niet, maar Elsje begreep wel dat ze bedoelde: “en dat ben jij niet.” Ze kreeg een kleur van ergernis, maar ze hield zich in en bleef zwijgen totdat het rijtuig weer voor het huis van mevrouw d’Ablong stil stond.
“O, Cilly heeft zeker kennisjes bij zich,” zei deze, toen Elsje en zij naar boven gingen en een kamer voorbij kwamen, waar Elsje nog niet geweest was en waaruit het geluid van vroolijke meisjesstemmen naar buiten drong. “Doe maar gauw je goed af, Elsje, dan kun je naar haar toegaan. Het is jammer dat je geen andere jurk hebt, maar deze past je toch beter dan die blouse van gisteravond. Laat mij nog eens even kijken hoe je haar nu zit. Zoo, zoo, vind ik het; het bevalt me toch maar half. Hoe kom je nu toch weer zoo rood in je gezicht en lieve tijd kind, wat heb je leelijke, groote handen! En hoe komen die toch zóó ruw?”
“Van het werken, tante,” zei Elsje een beetje trotsch. “Maar zou ik dat korset vandaag niet nog uit mogen hebben? Het geeft me zoo’n benauwd gevoel.”
“Och kom kind, malligheden! Ga nu maar gauw naar Cilly’s kamer en let vooral op je manieren. Wees bedaard en spreek nog maar niet te veel vandaag.”
“Ik wou liever eens wat gaan wandelen, tante. Ik verlang zoo vreeselijk om eens even in de lucht te zijn. Thuis ben ik zooveel buiten. Later kan ik toch ook nog wel met Cécile’s vriendinnen kennis maken.”
“Neen, neen, je gaat er nu heen. Morgenochtend kan dat wandelen wel gebeuren. Je blijft vandaag verder thuis.”
Dan maar met moed er op af! dacht Elsje, toen ze naar beneden liep en de deur opende van de kamer, waaruit het drukke gelach en gepraat klonk. Zij zag een vrij groot vertrek met twee ramen aan den tuin en elegante tafeltjes, gemakkelijke stoeltjes, een kleine, sierlijke canapé, waarvoor een aardig eikenhouten theetafeltje stond met een fijn porseleinen theeservies, dat op dit oogenblik ijverig dienst deed, een overvloed van smaakvolle, kleine snuisterijen op den schoorsteen en het miniatuur-schrijfbureautje bij het raam, een groote verscheidenheid van waaiers en zijden draperieën in zachte tinten,—op een lage, zwarte zuil in een hoek een allerliefste kleine groep in wit marmer van twee slapende kinderen, aan den muur een paar landschap-etsen en een menigte kleine en groote photographieën en in een vergulden lijst een schilderij van een mooi kinderkopje met bruine oogen en donker krullend haar—blijkbaar een portret van Cécile, toen ze twee of drie jaar oud was.
Dit alles zag Elsje als niet ziende, zoozeer werd zij overweldigd door een gevoel van plotselinge verlegenheid, toen zij de kamer in ging. Niemand scheen haar binnenkomen te bemerken en zij bleef in een linksche houding bij de deur staan, onzeker wat ze doen zou en eigenlijk heel weinig verlangend om de aandacht op zich te doen vestigen.
“Neen maar, hoe allergekst Cilly,” zei een groot, blond meisje, dat naast Cécile zat, die de afternoon-tea schonk in kleine kopjes van doorschijnend wit porselein met rose bloemtakjes beschilderd. “Heeft hij dat heusch tegen je gezegd en wat heb je toen geantwoord? Dat je pas zestien waart?”
“Eigenlijk maken wij Cilly ook ouder doordat wij juist hare vriendinnen zijn,” zei een meisje met een spits, scherp gezicht. “Wij zijn alle drie al achttien en Cilly is net zestien geworden.”
“Neen Lou, ik ben nog maar zeventien,” zei de derde gast, een meisje met een rond gezicht en vroolijke, blauwe oogen. “En we blijven Cilly trouw, hoor. Ik kan onmogelijk zonder haar leven en zij niet zonder mij, is ’t wel, darling? Toe, zeg ons nu eens gauw wat je geantwoord hebt, op dat gewichtige oogenblik, toen je....”
”Dear me, daar staat Lizzie af te luisteren wat wij praten!” viel Cécile opeens verschrikt in. “Heeft mama je hierheen gestuurd, Lizzie?”
Elsje knikte verlegen en bleef bij de deur staan, terwijl Cécile’s vriendinnen haar met onverholen verbazing aanstaarden.
“En heeft mama ook gezegd dat je daar vooral bij de deur moest staan blijven?” vroeg Cécile spottend.
“Neen, volstrekt niet,” zei Elsje, zich vermannend.
“Nu, kom dan hier.”
Elsje kwam naderbij met een gezicht, dat onverschillig moest heeten, maar waarop duidelijk te lezen stond dat ze zich weinig op haar gemak voelde.
“Dit is Lizzie van den Berg, mijn nichtje van buiten. Ze logeert bij ons,” zei Cécile, zich tot hare gasten wendend.
“O, ik wist niet dat je een nichtje hadt, dat buiten woonde,” zei de scherpe Louise. “Zeker verre familie, he? Aangenaam kennis te maken,” vervolgde ze, zich tot Elsje wendend en hare hand uitstekend, waarop de twee andere meisjes haar voorbeeld volgden.
“Ze heeft ons wel eens verteld van een neef, die buiten woonde,” zei Emma, het meisje met het vroolijke gezicht schalks, terwijl Cécile Elsje op een laag stoeltje naast zich liet plaats nemen.
”Please don’t,” zei Cécile met een flauw blosje en met een waarschuwende beweging harer oogen naar Elsje.
“He ja, waar hadden wij het ook weer over?” zei het groote, blonde meisje, dat Cato heette. “O gunst neen, daar kom ik weer op verboden terrein!” En zij proestte het uit van het lachen.
“Hè, wat ben je vervelend,” zei Cécile spijtig. “Wil je nog een kopje thee? Als ’t je blieft, Lizzie, dit is voor jou.”
“Toe Cilly, niet boos zijn!” zei Cato, “dat kan ik heusch niet dragen. Wat vind ik dat toch een allersnoeperigst portret van je, dat geschilderde! En wat hadt je toen toch een allerliefst gezichtje! Jammer dat je zoo erg veranderd bent na dien tijd.”
“Cato, wees toch niet zoo laf,” zei Cécile, toch nogal gevleid door het bedekte compliment.
“Ja, ik zou wel eens willen weten, of sommige menschen dat portret wel eens gezien hebben,” zei Emma met een geheimzinnig lachje.
“Wat meen je daarmee?” vroeg Cécile, terwijl ze met neergeslagen oogen water in het trekpotje schonk.
“He ja, wat zou ze daarmee meenen? Of liever, wien zou ze daarmee meenen?” zei Louise lachend en op half fluisterenden toon.
“Ik vind dat dat portret waard is dat iedereen het ziet, die je kent, Cilly,” zei Cato beslist. “Bent u dat niet met mij eens, juffrouw Lizzie?”
“Och Cato, wees toch niet zoo dwaas!” zei Cécile. “Noem haar toch Lizzie, ze is pas veertien jaar.”
“Met heel veel genoegen. Nu Lizzie, ben je het niet met me eens?”
“Ja,” zei Elsje met een onbestemd gevoel dat men haar voor den gek hield.
“Ben je al eens eerder hier gelogeerd geweest?” vroeg Emma, met een goedhartige poging om Elsje aan het praten te krijgen.
“Neen.”
“En houdt je veel van het buitenleven?”
“Ja.”
“Cécile heeft zeker ook al eens bij jou gelogeerd?”
“Neen.”
“Het lijkt wel het spelletje van ja en neen,” zei Louise zacht tot Cato.
“O, het is zoo’n vervelend kind,” fluisterde Cécile terug. “Ik begrijp heusch niet waarom mama haar hier gevraagd heeft.”
Met een gloeiend gezicht, warme handen en een benauwd, stijf gevoel door het korset niet alleen, maar ook door de ongemakkelijke houding, waarin ze zat, op het puntje van het lage vouwstoeltje—achterover leunen wist ze niet of voor haar “welgemanierd” was—beantwoordde Elsje de vragen, die haar werden gedaan. Weer was het haar alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als de vroolijke, levenslustige, werkzame Elsje, die blij en moedig haar taak verrichtte en gelukkig was in het kleine huisje bij grootmoeder.
En toen de meisjes haar met rust lieten, in de overtuiging dat er met dat “stille burgerkind” niets te beginnen was, keek zij verlangend naar de heldere zonnestralen, die in de kamer vielen en zag zij het alles duidelijk voor zich: de lange, rustige dorpsstraat met de roode en grijze gevels der huizen en de groen-en-roode luiken beschenen door de zon, den breeden straatweg met de schilderachtige dennengroepjes, de ruime velden met de korte struiken langs den kant, de kale takken goudbruin en geel getint door het warme licht,—en eindelijk het vriendelijke huisje met grootmoeders gezicht voor het raam, haar toeknikkend met een welkomstgroet in de oude oogen.
Emma moest tweemaal de vraag herhalen, die ze tot Elsje had gericht, zoozeer was deze in gedachten verzonken.
“Ben je nog hier met Cécile’s partij?” vroeg ze.
“Dat denk ik niet,” zei Cécile haastig. “En in ieder geval kan zij natuurlijk niet meespelen. Dan moeten we liever een ander zien te vinden voor die rol. Lizzie heeft stellig nooit comedie gespeeld; zij kan onmogelijk meedoen.”
“Nu, wij weten dan ten minste al vast, wat we te leeren hebben,” zei Louise. “Voor die rol van Grietje moet dan nog iemand gevonden worden. Zeg Cilly, je hebt zeker weer een snoeperig toiletje?”
“Ik weet nog niet precies wat ik aan zal doen,” zei Cécile. “Misschien geeft mama me weer iets nieuws.”
“Toe Cato, sta nu op, we moeten heusch weg,” zei Emma. “Je gaat immers zoo ver met me mee?”
“Ja zeker. O, daar is je mama, Cilly. Dag mevrouw, hoe maakt u het? Hoe heerlijk, dat Cilly’s partij al zoo gauw is!”
“Dag meisjes,” zei mevrouw d’Ablong, die binnen gekomen was met twee brieven in de hand. “Hier is een brief van grootmama, Cilly. Zij komt hier gauw een poosje logeeren, dus zij zal er waarschijnlijk ook zijn met de partij.”
“O, dat is gezellig,” zei Cécile. “Jij kent grootmama wel, he Emma?”
“Ja zeker, die aardige dame met dat prachtige grijze haar, die hier ook was op je verjaardag. Zij is immers uw moeder, niet waar mevrouw?”
“Neen, de moeder van mijn man,” zei mevrouw d’Ablong. “Ze woont op een buiten in de buurt van Arnhem. Cécile logeert er dolgraag.”
“O ja, dat wist ik wel, maar ik dacht dat zij uw moeder was. Hoe aardig dat zij juist hier is met de partij, Cilly. Maar nu moeten we heusch weg.”
“Hier is ook een brief voor jou, Elsje,” zei hare tante zacht. “Van grootmoeder, daar ben je zeker heel blij mee.”
“O ja, hoe heerlijk!” zei Elsje, blij opspringend. “Mag ik weggaan, tante, en hem boven lezen op mijn kamer?”
“Ja, maar groet de meisjes dan eerst.”
Elsje gehoorzaamde haastig en Emma zei vriendelijk:
“Dag Lizzie, ik hoop dat je me eens op komt zoeken met Cécile.”
Toen snelde Elsje naar boven naar haar kamer, met den kostbaren brief stijf in haar hand gedrukt. De tranen sprongen haar in de oogen, toen ze het welbekende, beverige schrift zag op het adres en met haastige, trillende vingers scheurde zij het couvert open en begon te lezen. Lang was de brief niet, maar Elsje las dien herhaaldelijk over, als wilde zij de hartelijke, bemoedigende woorden uit het hoofd leeren. Grootmoeder had haar brief natuurlijk nog niet ontvangen, maar zij zag er verlangend naar uit, dat begreep Elsje zeker wel. Het was erg vreemd dat zij niet thuis was, maar zij moest toch maar denken dat grootmoeder het heel goed had; Aafje’s zuster zorgde best voor haar. En Krelis was er ’s ochtends geweest met een aardig klein poesje voor Elsje. Hij had er twee van vrouw Rikkers gekregen en dat van Elsje was pikzwart met een smalle witte streep op het borstje. En Aafje’s zuster was een beetje bang voor het katje, omdat het haar telkens voor de voeten liep.
Telkens als Elsje dit gedeelte van den brief las, lachte zij hardop, maar zij las het eerste stukje met grootmoeders hartelijke woorden vol liefde, nog vaker en eindelijk bracht zij het papier met een hartstochtelijke beweging aan de lippen en kuste het.
Toen lachte ze om hare opgewondenheid.
“Hoe kom ik toch zoo mal hier!” zei ze bij zichzelf, “grootmoeder zou mij erg uitlachen, als ze me zoo zag. Kom, ik moet moed houden en niet zoo flauw zijn.”
“Ben je hier, Elsje?” klonk de stem van mevrouw d’Ablong op het portaal.
“Ja tante.”
“Goede berichten van grootmoeder?” vroeg ze, de kamer inkomend. “Voelt ze zich beter?”
“O ja, dat geloof ik wel; daar schrijft grootmoeder heel weinig over.”
“Kom, dat is een goed teeken. Ga nu nog even naar Cécile’s kamer, kind. Cilly heeft je wat te zeggen. Wees vooral lief en bedaard tegen haar hoor en doe wat zij je zegt.”
Elsje zuchtte eens even, maar zij gehoorzaamde toch en een oogenblik later stond ze weer in Cécile’s kamer.
Cilly lag lang-uit op de canapé met een boek in de hand. Zij keek niet op, toen Elsje binnenkwam, maar zij scheen toch gemerkt te hebben, dat deze in de kamer was, want met hare oogen op het boek geslagen, zei ze koel:
“O, ben je daar?”
Toen bleef ze rustig doorlezen, terwijl Elsje ongeduldig afwachtte, wat ze verder zeggen zou. Zij deed echter precies of ze alleen was, sloeg een bladzijde om en bleef ijverig in het boek kijken.
Het was eenvoudig niet om uit te staan, vond Elsje.
“Cilly,” zei ze.
Cécile keek op. “Och kind, noem mij als ’t je blieft maar Cécile, dat spreek je in ieder geval beter uit dan Cilly. Het is of je tien s’s in het woord brengt, zoo dwaas en ordinair komt het er uit. Wat is er?”
“Dat wou ik jou juist vragen,” zei Elsje, al haar best doende niet driftig te worden. “Tante heeft me naar je toegestuurd, omdat je me iets te zeggen hadt.”
“O ja, dat is ook zoo, maar je kondt toch wel even wachten. Heeft mama je die pony laten knippen? Ik vind niet dat het je schoonheid verhoogt.”
Elsje antwoordde niet.
“Je schijnt geen heel goed humeur te hebben,” hernam Cécile spottend. “Hoor eens Lizzie, mama wil absoluut dat je hier nog bent met mijn partij, maar doe dan als ’t je blieft je best om een klein beetje meer een lady te zijn. Mama wil ook dat je meespeelt in het comediestukje dat wij zullen opvoeren. Ik vind het gek, maar het moet nu natuurlijk toch. Gelukkig is het een kleine rol en je moet dan voor dienstmeisje spelen, dat komt dus nogal goed uit; voor die rol ben je nog het meest geschikt. Leer je gemakkelijk uit het hoofd?”
“Op school kon ik altijd best leeren,” zei Elsje fier, “maar ik wil liever niet meedoen in dat tooneelstukje. Ik wil ook wel weer weg vóór de partij, als jij het zoo verschrikkelijk vindt dat ik er bij ben!”
“Je doet wat mama wil, niet wat je zelf wilt, dat spreekt,” zei Cécile beslist. “Natuurlijk zou het voor mij oneindig prettiger zijn als je er niet bij waart, maar mama heeft mij zooeven gezegd dat zij er bepaald op gesteld is omdat het jouw grootmoeder plezier zal doen en nu gebeurt het natuurlijk.”
“Mijn grootmoeder is de jouwe ook, Cécile,” zei Elsje met bevende lippen. “En je moogt wel heel trotsch op haar wezen.”
Nu was het Cécile’s beurt om een beetje verlegen te kijken. Zij antwoordde echter niets op Elsje’s woorden, maar zei, op het boek wijzend: “Kom eens even wat dichter bij. Kijk, dit is het stukje. Het dienstmeisje komt het eerst op en moet vlug en wat bijdehand spelen. Je rol is klein; in het tweede en derde bedrijf heb je bijna niets te zeggen. Je kunt van avond wel in de leerkamer gaan zitten en je rol overschrijven. Weet je hoe je dat doen moet?”
“Ja, ik moet zeker alleen opschrijven wat die Grietje te zeggen heeft.”
“En goed opletten, wanneer je invallen moet. De volgende week hebben we repetitie, maak dat je je rol dan prompt hebt geleerd. Ik zal het boek wel op de leerkamer leggen, ga nu maar heen.”
En ’s avonds zat Elsje weer rustig alleen in de leerkamer. Er lag een groot vel papier voor haar en met een kleur van inspanning schreef ze vlijtig de rol van “Grietje” over. Als zij zich van avond flink hield, mocht ze den volgenden ochtend alleen een eindje gaan wandelen, had hare tante gezegd. Zij moest dan in de buurt blijven natuurlijk, dan was er geen kans op dat ze verdwalen zou. En met het puntje van haar tong uit den mond en haar hoofd dicht over het papier gebogen, schreef ze zonder ophouden voort. Miss Piper kwam haar een kopje thee brengen en bleef even bij haar om een paar vriendelijke woorden te zeggen, maar overigens kon zij zich ongestoord aan haar werk wijden, zoodat ze eindelijk het laatste woord had geschreven. Ze vond dat die “Grietje” nogal grappige dingen zeide en zij zag er op dit oogenblik nog niet erg tegen op om voor dienstmeisje te spelen. Het zou wel gaan, dacht ze; het leek haar niet heel moeielijk. Als zij de meisjes maar eerst wat beter kende, zou ze zich wel gauw wat meer met haar op haar gemak voelen.
Den volgenden ochtend gaf mevrouw d’Ablong haar werkelijk verlof om even uit te gaan. Het sneeuwde een weinig, maar dat hinderde Elsje niet. Zij beloofde vast dat ze niet te ver van huis zou gaan en niet te lang wegblijven—toen liep ze vlug naar haar kamer om zich klaar te maken. Daar viel haar opeens iets in. Als zij nu gauw even haar eigen roode jurk aantrok en haar kapje opzette! Het was zooveel prettiger om daarin uit te gaan dan met haar nieuwen hoed en mantel—daar kon ook zoo licht iets aankomen met die sneeuw! Tante zou er natuurlijk niets tegen hebben; zij ging nu immers alleen uit en niemand kende haar in deze groote stad. Zij bedacht zich niet lang, maar deed vlug de kast open om te zien of haar jurk er nog in hing. Jawel hoor, daar was ze, die verachte roode! En daar was haar kapje ook! Kom, een, twee, drie, haar reiscostuum weer aangetrokken, toen vlug de trappen af en de gang door naar de voordeur. Al maakte ze zichzelf wijs dat haar tante nu niets op deze kleeding zou aan te merken hebben, toch vond ze het erg plezierig dat ze niemand tegenkwam op haar tocht naar beneden. De voordeur ging gelukkig veel gemakkelijker open dan ze had durven hopen. Daar stond ze op de stoep. Hè, wat was het buiten heerlijk! Het begon harder te sneeuwen en groote vlokken stoven haar langs de ooren, op haar kapje, op de jurk en op de oogharen, zoodat ze die lachend knipte en het vocht van haar gezicht moest vegen. Ze keek eerst eens goed om zich heen, voordat ze verder ging. Ze moest den weg vooral onthouden, maar o, wat was het heerlijk, heerlijk om de frissche lucht weer in te ademen! Zij had een gevoel alsof ze in geen dagen buiten was geweest. Met volle teugen dronk ze de lucht in en keek vroolijk rond. Het huis van mevrouw d’Ablong stond op een stille, deftige gracht. Langzaam liep zij de statige, hooge huizen langs tot ze bij een breede straat kwam, waar het heel druk was en zich rij aan rij groote, mooie winkels vertoonden.
O, wat wemelde het hier van menschen! Zij bleef dicht langs den winkelkant gaan, uit vrees van tusschen den drom van karren, rijtuigen en trams te raken, die voortdurend door de straat reden. Telkens stond ze stil voor een der winkelramen om al het moois te bewonderen, dat hier uitgestald lag. Het meest trok een groote bloemenwinkel haar aandacht. Het was haar alsof ze in een toovertuin keek, zoo prachtig zag het er achter dat raam uit! Rijke bouquetten lichtgele rozen met fijne, sierlijke takjes vrouwenhaar, stonden in hooge vazen van zacht-groen en rood glas, terwijl een overvloed van kerstrozen, de mooie, reinwitte sterren afstekend tegen de donkergroene, stevige bladeren, gegroepeerd was tegen een draperie van donkerrood fluweel. Allerlei soorten varenplanten en palmen waren tusschen de bloemen in gezet. Elsje kon hare oogen nauwelijks gelooven. Al die prachtige bloemen en planten midden in den winter! Naast den bloemenwinkel, op den hoek van een nauwe straat, was een kleine kruidenierswinkel, die er bizonder onaanzienlijk uitzag naast zijn rijken buurman, maar Elsje keek er opgetogen naar. Bijna precies zoo’n kruidenierswinkel als die bij haar in het dorp! De deur stond op een kier en zij gluurde nieuwsgierig naar binnen. Kijk, de toonbank was ook aan denzelfden kant en och, wat stond daar een aardig klein kereltje met knikkers te spelen! Een vrouw met een vriendelijk gezicht stond achter de toonbank en riep: “Toe maar Evert, toe maar, het gaat al heel mooi!” Zij was zeker de moeder van den kleinen jongen.
Daar rolde een der knikkers naar buiten vlak voor Elsje’s voeten. “O moeder, daar loopt er een weg, die mooie groote nog wel! Dien pakken ze bepaald mee!” En zoo gauw als zijn kleine voeten hem veroorloofden, dribbelde Evert naar de deur toe om den verloren schat te gaan zoeken.
Elsje had den knikker terstond opgeraapt, maar Evert zag dit niet en liep op een drafje de deur uit, juist op het oogenblik dat een vigilante snel den hoek der straat omkwam. De kruideniersvrouw gaf een gil en vloog den winkel uit om haar zoontje buiten het bereik der paardenhoeven te brengen, maar zij kwam te laat en Evert zou zeker een vreeselijk ongeluk hebben gekregen, indien Elsje hem niet had gegrepen en vlug als de wind met hem den winkel was ingeloopen. Het kleine kereltje begon te schreien nu de schrik voorbij was, zijn moeder drukte hem met een hartstochtelijke beweging aan het hart en dankte toen Elsje met uitbundige dankbaarheid.
“Nu is mijn knikker heelemaal weg!” klaagde Evert met zulk een bedroefd gezichtje dat zijn moeder en Elsje er om moesten lachen.
“Kijk eens!” zei Elsje, hem het verlorene voorhoudend. “Dien had ik al eerder opgeraapt dan jou.”
Evert lachte door zijne tranen heen.
“Dank je wel hoor, voor al je hulp,” zei zijn moeder. “Dat trof mooi, he Evert? Dat dit vriendelijke meisje juist den knikker moest oprapen en jou zoo flink weghalen voor die vigelante!”
“Ja,” zei Evert en keek Elsje met groote oogen aan. Zij scheen een gunstigen indruk op hem te maken, want terwijl hij haar zachtjes aan den rok trok, zei hij:
“Je moet mijn paardje zien.”
“Dat wil ik heel graag,” zei Elsje vroolijk, “als moeder het goed vindt.”
“Wel zeker,” zei deze. “Evert heeft van Sinterklaas een paardje gekregen en dat wil hij nu aan iedereen laten kijken. Kom maar even binnen, als ’t je blieft.” Elsje ging den winkel door en volgde de vrouw door een smalle gang naar een klein vertrek, dat achter den winkel gelegen was en hierop door een glazen deur uitzicht gaf. Tegenover deze deur was een raam aan een klein tuintje en hier, in de lage vensterbank, stond de grootste schat van Evert, een klein, bruin, houten paard.
“Kijk!” zei hij terstond, toen zij de kamer in waren, met een blik vol trots zijn ros aan Elsje toonend.
“Heel mooi!” zei ze, “en hij heeft ook heel wat te eten!”
Er lagen eenige krenten en rozijnen bij het paard op de vensterbank.
“Ik eet er ook van,” zei Evert heel eerlijk en stopte een paar rozijnen in den mond. “Wil je ook wat?”
“Neen, dan zullen we haar wat meer geven,” zei zijn moeder. “Wacht maar!” Zij ging even naar den winkel en kwam spoedig met een bruin papieren zakje vol rozijnen terug.
“Dank u wel,” zei Elsje. “Ik vind dit zoo’n aardigen winkel, net zoo een als bij ons.”
“Is je vader dan ook kruidenier?”
“Neen, mijn ouders zijn dood. Ik woon buiten, dicht bij een heel mooi dorp, bij mijn grootmoeder. Ik ben hier maar voor een poosje. Maar nu moet ik weer naar huis, anders is tante boos op me. Dag Evert!”
“Dag!” zei Evert.
“Elsje heet ik.”
“Dag Elsje. Kom je morgen weer?”
“Neen, dat denk ik niet,” zei Elsje lachend.
“Ze zal nog wel eens voorbij komen,” zei de vrouw, ziende dat Evert een lipje trok. “Dag Elsje, dank je nog wel voor je hulp.”
Elsje nam een beetje haastig afscheid. Zij had opeens gezien op de klok in den winkel dat het bijna twaalf uur was en hare tante had haar zeker al eerder thuis verwacht. Ze was den bloemenwinkel al voorbij en liep snel voort, toen ze opeens uitgleed en met een smak op den grond viel. Het zakje ontglipte haar hand en raakte los en al de rozijnen vielen in een lange, bruine streep op den grond, tot groote vreugde van twee of drie straatjongens, die uit alle macht aan het grabbelen gingen.
Pijn deed ze zich gelukkig niet erg, maar ze had toch moeite om weer op te komen; de plek, waar zij gevallen was, was zóó glad. Telkens als ze probeerde op te staan, gleed ze weer uit.
“Geef mij maar eens een hand,” zei een vriendelijke stem achter haar en haar rechterhand uitstrekkend, zag ze een heer bij zich staan met een jong, prettig gezicht, waarin de donkerbruine oogen haar vroolijk aanzagen.

“Geef mij maar eens een hand,” zei een vriendelijke stem achter haar....
“Een, twee, drie!” zei hij, haar hand stevig vasthoudend. “Ziezoo, nu zou ik maar gauw maken dat ik van die verraderlijke gladde plek vandaan kwam.”
“Dank u wel, mijnheer,” zei Elsje beschroomd.
“Niet te danken, meisje,” zei hij. “Pas nu verder maar op, hoor.”
“Ja, mijnheer,” zei ze en terwijl hij voor haar uit liep, de straat door, keek zij hem met een dankbaren blik na. Hij sloeg den hoek om en liep de gracht op, waar mevrouw d’Ablong woonde en toen zij het huis naderde, zag Elsje hem tot hare verbazing de stoep opgaan en aanschellen. Hij stond met den rug naar haar toe, toen zij op hare beurt de stoep opging en keerde zich lachend om, toen hij haar herkende.
“Zoo zoo, moet je hier ook zijn?” zei hij. Toen tot Dina, die de deur opende:
“Morgen Dientje. De dames zijn zeker thuis, he?”
“Jawel mijnheer, daar komt mevrouw juist aan.” En met een verbaasden blik op Elsje, die zij eerst niet herkend had: “O jongejuffrouw, bent u het?”
Elsje ging vlug naar binnen. Zij had opeens een gevoel dat zij toch veel beter gedaan zou hebben niet in deze kleeding uit te gaan en zij schrikte erg toen ze zag, hoe ontstemd hare tante naar haar keek.
“Ga terstond naar boven en verkleed je,” zei ze fluisterend, waarop Elsje zoo snel mogelijk naar haar kamer liep.
“Zoo tante, hoe maakt u het?” zei de jonge man, die met groote verwondering naar mevrouw d’Ablong en Elsje had gekeken. “En Cécile, is ze ook wel en Miss Piper? Nog altijd even gezond en elegant?”
“Allemaal uitstekend, uitstekend,” was het antwoord. “Ga mee naar beneden. Je blijft toch natuurlijk lunchen?”
“Zeker, heel graag. Heeft grootmama u geschreven dat zij gauw hier hoopte te komen?”
“Ja. Cécile vindt het heerlijk dat zij er juist met de partij zal zijn. Zou je ook niet kunnen komen, Frits? Cilly zou het zeker ontzettend graag willen.”
“Ik weet het heusch niet, tante,” zei Frits, terwijl hij zich behagelijk in een lagen stoel bij den haard liet glijden en met de hand door zijn donkerbruin haar streek. Men zou hem voor een broer van Cécile hebben kunnen houden: hij had dezelfde fijnbesneden gelaatstrekken, dezelfde kleur van oogen en ook die gemakkelijkheid in houding en manieren, die zijn nichtje zoo goed stond. Maar de uitdrukking van trots en aanmatiging, die Cécile’s gezicht soms zoo onaangenaam maakte, zag men nooit op dat van Frits. Juist zijn bizonder groote vriendelijkheid, gaf hem een aantrekkelijkheid, die Cécile doorgaans mistte.
Hij was de lieveling van zijn grootmoeder, die hem na den dood zijner ouders,—zij had haar man en hare twee zonen, den vader van Cécile en dien van Frits overleefd—geheel had opgevoed. Frits placht te zeggen, dat hij het gemis zijner ouders nooit had kunnen voelen, zoozeer had zijn grootmoeder haar best gedaan het hem te vergoeden. Als kleine jongen was hij bij haar gekomen; thans was hij student in de rechten en kwam hij iederen Zaterdag en Zondag buiten bij zijn grootmoeder doorbrengen.
Daar vloog Cécile de kamer binnen.
“O dag Frits, hoe vreeselijk gezellig!” zei ze, terwijl ze hem hare beide handen toestak. Thans keek ze volstrekt niet trotsch of uit de hoogte.
“Dag Cilly,” zei hij, lachend opstaande. “Wat een eer, dat je zóó blij bent me te zien! Neen, je hebt me je twee handen gegeven, nu houd ik ze ook vast. Kom, wat krijg ik nog meer? Ik ben je eigen neef en vroeger kreeg ik altijd een....”
“Och malle jongen!” zei Cilly met een coquette beweging van haar hoofd en terwijl ze haar best deed, hare handen weg te trekken. “Ik dank je wel—met die vreeselijke snor, die je er tegenwoordig op na houdt!”
“O, geef me dan maar een kus op de wang, daarmee ben ik ook tevreden.”
“Neen, dien geef ik je niet. Toe mama, mag hij nu ophouden? Anders roep ik Miss Piper.”
“Och kom Cilly, geef hem maar even een kus, als hij daar zoo op gesteld is,” zei hare moeder lachend. “Vraag hem maar eens of hij ook op de partij komt.”
“Hè ja, kom je? Toe, kom je?” vroeg Cécile dringend.
“Heel misschien, maar zeker niet, als je me nu geen kus geeft,” zei Frits, plagend op haar neerziende.
“Je bent bepaald de eenige wezenlijke heer. Er komen anders niets dan jongens van 16 en 17.”
“En ik ben al over de twintig! Denk je dat ik me met zulke knaapjes wil bemoeien?”
“Neen, maar dan bemoei je je maar met ons. Als.... als.... ik je twee kussen geef, kom je dan?”
”En als ik er altijd een hebben mag, wanneer ik er om vraag.”
“Hè neen, dat kan niet. Wat zegt u nu, mama?”
“Dat moet je zelf uitmaken, kind. Maar maak wat gauw voort, want wij gaan dadelijk lunchen.”
“Nu, in vredesnaam dan maar,” zei Cécile met een zucht. “Dus je komt zeker?”
“Ja, maar eerst de twee....”
“Jawel, jawel, gauw dan maar.”
Zij ging op de teenen staan en Frits boog zich tot haar over. Juist op het oogenblik dat zij zijn wang aanraakte, kwam Elsje de kamer in. Zij bleef verlegen bij de deur staan.
“Wie is daar?” riep Cécile, zich omkeerend. “O, Lizzie, ben jij het? Kom maar binnen.”
En alsof ze het niet onaardig vond, dat Elsje zag hoe vrij ze met haar neef omging, kuste zij hem hartelijk.
“Dat was wezenlijk goed gemeend,” zei Frits. “Je bent zoo kwaad niet, als je wel lijkt. En vertel mij nu eens, wie Lizzie is. Wij kennen elkaar al van van ochtend, is het niet, Lizzie?”
“Dan behoef ik ook niet meer te vertellen wie zij is,” zei Cécile spottend.
“Ik heet Elsje,” zei haar nichtje snel, “Elsje van den Berg en ik woon buiten bij mijn grootmoeder. Ik ben hier bij tante gelogeerd.”
Keetje had haar een der jurken aangetrokken, die van de naaister thuis gekomen was. Het was een donkerblauwe stof en de jurk was zoo aardig gegarneerd en kleurde zoo goed bij Elsje’s blond haar en het frissche rood harer wangen dat mevrouw d’Ablong met welgevallen opmerkte hoe goed zij er op dit oogenblik uitzag.
“Ja, ja, ze heet Elsje,” zei ze. “Zij is het eenige kind van mijne overledene zuster, Frits, en ook door hare grootmoeder opgevoed, evenals jij.”
“He, dat vind ik aardig!” zei Frits. “Dan zullen wij wel goede vrienden samen worden, Elsje.”
“Hè, zeg toch Lizzie,” zei Cécile.
“Wel neen, ik vind Elsje veel mooier. Heb jij Lizzie gemaakt van dien aardigen, Hollandsche naam? Zeg Elsje, wordt je ook wel eens Roodkapje genoemd?”
Elsje zweeg bedremmeld en keek verlegen naar hare tante. Zij durfde niet vroolijk te antwoorden op de toespeling op haar toilet van dien ochtend.
“O, daar is Miss Piper,” zei Frits opstaande om de Engelsche te begroeten, die juist op dit oogenblik binnen kwam.
Tot Elsje’s blijdschap werd er thans een begin gemaakt met het lunch en was zij niet langer het onderwerp van het gesprek. Frits babbelde onophoudelijk voort en vertelde allerlei vroolijke grappen, waarom zij telkens hardop lachen moest. Hare tante keek haar soms waarschuwend aan, als Elsje naar hare meening, onbehoorlijk luid lachte, maar Frits vond het aardig, hare blauwe oogen van pret te zien glinsteren en toen hij wegging, zei hij:
“Dag Roodkapje. Ik ben blij dat je ook vroolijk kijken kunt. Geen al te deftige Lizzie worden, hoor!”
Über
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Kommentare
Seien Sie der Erste, der kommentiert
Es gibt noch keine Kommentare zu diesem Inhalt. Beginnen Sie die Diskussion!






