《Elsje》 - 免费有声读物
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk V. Van Top tot Teen herschapen.
Hoofdstuk V.
Van Top tot Teen herschapen.
Toen mevrouw d’Ablong een kwartier later in het salon kwam, vond ze daar haar nichtje niet, zooals ze verwacht had. “Dan zal ze zeker maar naar haar kamer gegaan zijn,” dacht ze en liep met een zucht de trap op. Nu reeds voelde ze eenig berouw dat ze Elsje te logeeren had gevraagd—er zouden zooveel van die kleine, lastige onaangenaamheden komen en het beviel haar volstrekt niet, haar gemakkelijk leven door allerlei moeielijkheden met Elsje bedreigd te zien. Maar, zij had het verzoek harer moeder toch niet kunnen weigeren—ze was nu eenmaal dezen weg ingeslagen en ze moest er op voortgaan, daaraan was geen twijfel. Ze moest het kind dan maar flink onder handen nemen van tijd tot tijd, zoolang ze hier was en... misschien was het wel niet noodig, dat Elsje later voor goed bij haar in huis kwam. Zoo oud was de grootmoeder toch ook nog niet en zoo heel ziek scheen ze eigenlijk ook niet te zijn en het was dus heel wel mogelijk dat Elsje volwassen was en ergens een werkkring had gevonden, voordat haar grootmoeder stierf. Dan zou zij heel makkelijk wat voortgeholpen kunnen worden met geld en kleeren nu en dan; hare tante zou haar dan niet uit het oog verliezen en goed voor haar zijn... uit de verte. Als alles zóó ging, zou mevrouw d’Ablong zelf ook heel tevreden wezen.
Maar, terwijl het kind bij haar in huis was, moest ze zich beter gedragen, dat sprak van zelf.
“Ik kom eens even met je spreken, Elsje,” zei ze, de deur openend van de logeerkamer, waar Elsje de eenzaamheid had gezocht. “Waarom ben je niet naar de zaal gegaan, toen ik je wegstuurde?”
“Ik wou veel liever hier blijven, tante,” zei Elsje met iets angstigs in hare stem.
“Waarom?”
Zij antwoordde niet dadelijk, maar wreef zenuwachtig hare handen over elkaar.
“Ik doe toch alles verkeerd,” zei ze eindelijk op koppigen toon.
“Hoor eens Elsje, als wij goede vrienden zullen blijven, moet je je zooveel mogelijk voornemen, om niet alles verkeerd te doen. Want wat je daar zegt, is waar, je doet bijna alles verkeerd. Maar als je wezenlijk wilt, als je heel goed op Cilly let en haar navolgt in alles, als je probeert om zooveel als het kan natuurlijk, op haar te gelijken, dan....”
“Ik verlang er niets naar om op Cécile te lijken,” zei Elsje, heel driftig.
Het was er uit, voordat ze het wist en terstond, toen het er uit was, had ze berouw. Maar alles, wat zij dien dag had doorgemaakt, het droevige gevoel van verlatenheid, dat haar weer overvallen was na het ongeluk aan tafel en vooral het wreede, hatelijke gedrag van Cécile, hadden haar in zulk een bittere stemming gebracht dat het haar was, als leefde ze in een bangen droom en als was zij plotseling van de vroolijke, levenslustige Elsje veranderd in een arme verschoppelinge, door niemand begeerd en door niemand bemind. Als hare tante Cécile buiten het gesprek had gelaten, zou Elsje haar drift hebben kunnen bedwingen, maar nu liep de maat van haar geduld over en met fonkelende oogen, snel en bijna woest, bracht ze er de noodlottige woorden uit.
“Wil je wel eens dadelijk zeggen dat je dat niet meent, ondeugend, brutaal kind?” riep mevrouw d’Ablong, haar bij de schouders vattend. “Kom, kijk mij aan en zeg dat je het niet meent.”
Elsje barstte in tranen uit.
“Laat mij weer naar huis gaan!” snikte ze. “Och, laat mij toch weer naar grootmoeder gaan! Ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk! En ik wil veel liever nooit, nooit weer hier komen! Ik doe toch niets zooals ik moet en ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk!”
Zij had hare tante van zich afgestooten en schreide bitter, met de handen voor het gezicht geslagen.
Met een strenge uitdrukking in hare oogen, bleef mevrouw d’Ablong zwijgend bij haar staan. Er was niets met het meisje te beginnen, zoolang ze zich zoo aanstelde, oordeelde zij, maar dergelijke dwaze buien moesten in het vervolg vermeden worden, dat stond vast.
Eindelijk bedaarde het snikken wat.
“Mag ik als ’t je blieft morgen weer terug naar huis?” vroeg het kind met een smeekenden blik. “Ik durf best alleen te reizen en... en grootmoeder zal het geld wel weerom geven.”
“Dat is natuurlijk te dwaas om van te praten, Elsje. Ik zou die kinderachtigheid nu maar uit mijn hoofd zetten. Je bent oud genoeg om te begrijpen, dat je het bij mij aan huis volstrekt niet ‘vreeselijk’ behoeft te hebben, als je je verstandig gedraagt. Ik ben ernstig boos op je om die leelijke, afgunstige woorden, die je zooeven hebt gezegd. Je bent jaloersch op Cécile en dat had ik van jou allerminst verwacht. Ik reken er op dat je die ongepaste jaloezie zult trachten te overwinnen en nooit zult toonen. Begrijp mij goed en doe wat ik zeg, anders zullen we maatregelen nemen, die je heelemaal niet aanstaan, juffertje. Je bent moe en alles is ongewoon voor je natuurlijk en ik zal je voor ditmaal dus vergeven. Ga straks naar bed en kom niet meer beneden. Keetje zal je een kop thee brengen en als je nog iets noodig hebt, kun je het haar zeggen.”
En zonder het bedroefde kind verder met een blik te verwaardigen, ging mevrouw d’Ablong de kamer uit.
Niet lang daarna kwam Keetje boven met een nachtjapon van Cécile en verdere toiletbenoodigdheden voor Elsje.
“Mevrouw dacht dat het goed voor u zijn zou om nu maar naar bed te gaan, jongejuffrouw,” zei ze. “Zal ik u even helpen met het uitkleeden? Dan kan ik u een kopje thee brengen, als u in bed bent.”
Elsje stond langzaam op van den stoel, waarop ze in moedeloos gepeins was verzonken geweest.
“Ja, ik zal naar bed gaan,” zei ze, “maar je behoeft me niet te helpen. Ik kleed me altijd alleen uit.”
“Maar misschien gaat het een beetje gauwer, als ik u help met dien vastgespelden rok,” zei Keetje goedhartig. Elsje zag er zoo bedroefd en terneergeslagen uit, dat het dienstmeisje medelijden met haar kreeg. Dina had natuurlijk in de keuken verteld wat er aan tafel met Elsje was gebeurd en hoe boos mevrouw d’Ablong had gekeken en nu Keetje het jonge gezichtje van het “dorpskind” zoo bitter bedrukt zag, kwam haar goed hart boven.
“Kom,” zei ze, “ik zal wel maken dat u gauw rustig en wel te bed ligt, jongejuffrouw. En wie weet, hoe lekker u dan slaapt.”
“Ik hoop het,” zei Elsje zacht. “Maar wil je me Elsje noemen, als ’t je blieft, dat zou ik veel prettiger vinden.”
“Ik geloof niet dat mevrouw dat zou willen hebben,” lachte Keetje vroolijk. “Ziezoo, daar is de blauwe rok al uit. Straks zal ik alles wel netjes opvouwen. Die nachtjapon zal wel een beetje te lang zijn. Kijk, heb ik geen mooie voor u uitgezocht? Dat is allemaal echt Fransch borduursel.”
Elsje voelde niet heel veel belangstelling voor het “echt Fransche borduursel”, maar Keetje’s vriendelijkheid deed haar toch goed en met een half ingehouden snik vroeg ze:
“Woont jouw moeder ook buiten?”
“Neen, hier in de stad. Wilt u nu in dien lagen leuningstoel gaan zitten, dan zal ik uw haar uitschuieren. Pas op dat u niet over de nachtjapon struikelt.”
Het was toch wel prettig om zich zoo’n beetje te laten bedienen, nu ze zoo erg moe was, dacht Elsje, terwijl ze makkelijk leunde tegen den rug van haar stoel. En wat was het een heerlijk gevoel, die zachte aanraking van Keetje’s hand aan heur haar en de gelijkmatige beweging van den schuier over haar hoofd!
“Nu bent u klaar en nu ga ik gauw een lekker warm kopje thee voor u halen,” zei het dienstmeisje eindelijk. “Is dat goed?”
“Ja, als ’t je blieft.”
Keetje ging heen en Elsje stond op om in bed te gaan. Eerst moest ze nog even kijken hoe het er buiten uitzag. Ze schoof het gordijn op zij, drukte haar gezicht tegen het raam en keek op naar het kleine stukje lucht, dat vanuit haar kamer zichtbaar was. Hè, wat fonkelden de sterren mooi—wat zou het prachtig, prachtig zijn op de heide, dicht bij het huisje harer grootmoeder! Als zij maar eens even bij haar kon zijn, even de armen om haar hals kon slaan en haar een nachtkus geven, dan zou haar moed wel weer terugkomen, dacht ze. Maar ze moest zich dapper houden, ze moest haar best doen, niet weer flauw zijn en driftig tegen tante; ze had het grootmoeder beloofd! Ze liet het gordijn los en slikte even. Ze wou nu niet meer schreien. Ze was wezenlijk kinderachtig geweest, daar had tante wel gelijk in. Morgen zou alles zeker wel beter gaan en met het optimisme van een kind, begon zij zich voor te stellen, hoeveel gelukkiger dan nu, zij zich morgenavond als zij naar bed ging, misschien voelen zou. Tante zou dan ook wel niet meer boos zijn. Kom, ze moest nu maar rustig gaan slapen. Zou ze ... zou ze nog eens even in dien grooten spiegel kijken hoe die prachtige nachtpon haar stond met al die breede strooken? Verlegen, alsof er iemand in de kamer was, die haar uit kon lachen, ging ze voor den langen spiegel staan en keek nieuwsgierig naar de meisjesgestalte in het lange, witte, bijna den grond rakende gewaad. Was zij dat heusch? Ze vond eigenlijk wel dat ze er heel deftig uitzag met die geborduurde kanten om de mouwen en dat lange, breede borduursel van voren. Zoo moest grootmoeder haar eens even kunnen zien! Als zij zoo eens plotseling voor haar staan kon en haar goeden nacht zeggen! Wat zag haar gezicht er beschreid uit en wat werd zij koud, zoo dicht bij het raam! Vlug liep ze naar het ledikant, trok de dekens over zich heen en genoot de zachte, mollige warmte van het veeren bed. Ze was zoo moe, zóó moe; Keetje moest nu maar gauw komen met de thee, dan kon ze het licht meteen uitdraaien. Daar schoot haar plotseling te binnen, dat ze grootmoeder van avond nog een briefkaart had willen sturen met het bericht dat ze goed was overgekomen. Hoe was het mogelijk dat ze dat had kunnen vergeten! Misschien zou Keetje nog raad weten te schaffen.
Daar was ze juist met een grooten kop thee in de hand. Elsje kwam dadelijk met haar vraag voor den dag. “Mevrouw is juist bezig een briefkaart te schrijven,” zei Keetje, “en ze zou uwe groeten doen, zei mevrouw. Drink nu maar gauw deze warme thee op, dat zal u goed doen. Ziezoo, zal ik u nu nog eens instoppen?”
“Ja, heel graag.”
Keetje streek het laken glad, schudde de kussens op, trok de dekens dichter om Elsje heen en zag er daarbij zoo vriendelijk en aantrekkelijk uit in haar helder katoenen japonnetje, met den keurigen witten boezelaar en het nette geplooide mutsje, dat Elsje het prettig vond om naar haar te kijken en met een dankbaren blik zei:
“Dankje wel, hè, dankje wel.”
“Kan ik nu nog iets voor u doen?” vroeg Keetje eindelijk. “Zal ik het licht maar uitdraaien?”
“Ja, als ’t je blieft.”
Het dienstmeisje deed het gas uit en verliet de kamer met een vriendelijk “goeden nacht.” Elsje was op het punt haar terug te roepen en nog iets te vragen, maar zij durfde niet goed, zei zacht bij zichzelf: “Het is te flauw” en deed toen hare oogen dicht, vast besloten, dadelijk te gaan slapen.
Zij deed ze echter terstond weer open, toen tot hare verwondering de deur der kamer geopend werd en Keetje weer binnen kwam met een brandend nachtlichtje in de hand. Heel zacht zette zij dit op de tafel neer om Elsje niet te storen en juist wilde ze weer weggaan, toen een zacht stemmetje zei:
“Ben je daar nog, Keetje?”
“Jawel, jongejuffrouw.”
“Wil je.... wil je even bij me komen?”
Keetje kwam terstond bij het bed.
“Ik.... ik.... wil jij me een nachtzoen geven? Dat doet grootmoeder altijd.”
Het dienstmeisje dacht er niet aan op dit oogenblik, of “mevrouw” een dergelijke familiariteit wel zou goedkeuren, boog zich over Elsje heen en kuste haar op het voorhoofd.
“Slaap lekker,” zei ze.
“Dank je wel,” zei Elsje. “Dank je wel voor al je vriendelijkheid. Nacht Keetje.”
“Nacht jongejuffrouw. Zult u nu gauw gaan slapen?”
“Ja wezenlijk.”
En met de gedachte aan grootmoeder en aan den brief dien zij haar morgen zou schrijven, viel Elsje in slaap.
Om elf uur kwam haar tante even naar haar kijken.
“Ze slaapt gelukkig rustig,” dacht ze, “we moeten nu in vredesnaam maar hopen dat alles morgen beter gaat.”
Den volgenden ochtend om half acht bracht Keetje Elsje een warme, wollen ochtendjurk en voelde deze zich zeer verkwikt en bemoedigd door de lange nachtrust, die ze had gehad. Aan het ontbijt liep alles tamelijk goed voor haar af. Cécile was stil en een beetje uit haar humeur, maar bemoeide zich weinig met haar en Miss Piper was vriendelijk en beleefd evenals gisteren, terwijl mevrouw d’Ablong blijkbaar haar best deed, om haar meer op haar gemak te zetten. Dadelijk na het ontbijt bracht zij haar naar een aardige, vroolijke kamer, die nog altijd de “kinderkamer” werd genoemd en op den tuin uitzag. Er stond een groote tafel met een groen lakensch kleed en tegen den muur waren boekenkasten geplaatst, waarvan de planken met geschupte, groenlederen randen waren versierd. Elsje had nog nooit zooveel boeken bij elkaar gezien en keek nieuwsgierig naar al de roode, groene, zwarte, gele en bruine banden in de hooge eikenhouten kasten.
“Hier neemt Cécile hare lessen altijd,” zei mevrouw d’Ablong. “Je weet immers dat ze niet meer school gaat? Vandaag is ze wat moe en moet ze maar eens vacantie nemen: jij kunt hier dus van ochtend rustig gaan zitten schrijven. Kijk, hier staat een inktkoker en in dat vloeiboek zijn wel postpapier en couverts. Als je met je brief klaar bent, moet je maar even op dit knopje drukken. Dat is een electrische schel en als je hierop drukt, komt Dina terstond bij je en zal zij je brief naar de post brengen. We moeten maar wat vroeg koffiedrinken vandaag; dat ga ik van middag met je naar den kapper en de naaister en zoo verder. Denk er aan dat je de groeten van mij doet aan grootmoeder en haar vraagt, of ze ons eens gauw bericht stuurt hoe het met haar is.”
Een paar minuten later zat Elsje met een hoogroode kleur en een heel ernstig gezicht haar brief te schrijven. Het was behagelijk warm in de kamer en heel rustig om haar heen, maar het viel haar toch allesbehalve gemakkelijk, den brief precies zóó te krijgen, als zij dien hebben wou. Grootmoeder moest vooral niet den indruk ontvangen dat zij ongelukkig was en telkens naar huis verlangde, maar Elsje vond het heel moeielijk een opgewekten brief te schrijven, vooral ook omdat het schrijven zelf al een heel ding voor haar was. Toen het postvelletje vol was, streek ze met een zucht de hand over het voorhoofd en las het geschrevene over met een gezicht, dat duidelijk toonde dat ze er weinig mee ingenomen was. Zij had het ook zoo warm en dat vervelende losse haar gaf haar telkens een gevoel, alsof ze haar eigen hoofd niet had vandaag. Keetje had wel getracht het haar geheel op te maken naar Elsje’s zin, maar dit was haar maar half gelukt—het zat zoo akelig weinig stevig, vond Elsje.
Met een uitdrukking van ontevredenheid in de oogen, zat ze naar de dikke, groote letters op het papier te kijken, toen mevrouw d’Ablong binnen kwam.
“Ben je nog niet klaar, kind?” vroeg ze. “Het is al elf uur.”
“Ja, tante, mijn brief is af,” zei Elsje, haastig opstaande.
“Goed, ga dan gauw mee naar beneden. Wij hebben nog zooveel te doen vandaag. Hè, wat staat die jurk je akelig! Wij zullen wat nette, nieuwe kleeren voor je laten maken. Vindt je het niet heerlijk, dat je dat allemaal zoo maar van me krijgt?”
“Het is heel vriendelijk van u tante, maar.... maar mijn roode jurk zit me zoo erg gemakkelijk, die heb ik het liefst aan.”
“O, maar als een goede naaister jurken voor je maakt, zullen die je nog prettiger zitten natuurlijk. Kom, treuzel nu niet langer.”
Niet lang daarna reed Elsje in gezelschap harer tante de drukke straten door naar een der deftigstige modemagazijnen der stad. Men had haar een winterhoed opgezet, dien Cécile niet meer droeg en een kort lakensch manteltje aangetrokken, dat haar te nauw was, zoodat zij zich niet heel behagelijk voelde “Wacht maar, we zullen wel gauw een jonge dame van je maken,” zei mevrouw d’Ablong, toen het rijtuig stilstond voor een grooten winkel met spiegelruiten, waarachter zooveel fraaie stoffen in donkere en lichte tinten en zooveel kostbare kant, zijde, fluweel en wit dons lagen uitgestald dat Elsje groote oogen opzette. Zij volgde hare tante schuchter, toen een bediende in livrei met een beleefde buiging het portier en de glazen deuren van den winkel opende.
Mevrouw d’Ablong liep tusschen de toonbanken aan beide zijden door, terwijl haar nichtje zeer bedeesd achteraan kwam. Het was haar alsof al die dames en heeren achter de toonbanken haar nazagen en alsof de deftige mevrouwen, die hier hare inkoopen deden, haar aankeken met oogen, die duidelijk zeiden: “Jij behoort hier niet, kind!” Ze was blij, toen hare tante de trap opging, die toegang verleende tot een zaal, waar slechts twee jonge meisjes aanwezig waren en waar stapels fijn linnengoed in de winkelkasten tegen den muur waren geborgen. Er heerschte een aangename warmte en Elsje vond dat de winkeljuffrouw, die hare tante aansprak, een vriendelijk gezicht had.
“Wat is er van uw dienst, mevrouw?”
“Ik zou graag eens meisjeskorsetten van u willen zien,” zei mevrouw d’Ablong. “Het is voor dit meisje. Zij komt van buiten en ik moet allerlei ondergoed voor haar hebben. De korsetten kunnen hier immers gepast worden, niet waar?”
“O ja zeker mevrouw, als u zoo goed wilt zijn mij even te volgen.”
Zij ging de zaal door naar een klein zijvertrekje, waar de zon vroolijk naar binnen scheen en men door een hoog boogvenster een levendig uitzicht had op de drukke straat, die er vroolijk uitzag in het heldere, vriezende weer.
“O tante, wat is het hier aardig!” riep Elsje, naar het raam toeloopende en terstond daarop een kleur krijgende over hare vermetelheid.
Mevrouw d’Ablong keek haar ontevreden aan; zij vond het in ’t geheel niet noodig dat de winkeljuffrouw wist dat Elsje haar nichtje was. Het kind was eerst zoo dwaas verlegen geweest hier en nu opeens die uitroep!
“Jawel, het uitzicht is hier niet onaardig,” zei ze kortaf. “Maar kleed je nu maar gauw uit; wij hebben nog zooveel te doen. Zoudt u meteen eens onderlijfjes willen laten zien, juffrouw?”
“Gaarne.” En het meisje ging heen.
“Komaan, Elsje, haast je wat,” zei hare tante ongeduldig. “De juffrouw komt dadelijk terug met de korsetten.”
“Maar ... maar tante, moet ik me dan hier heelemaal uitkleeden?” vroeg het kind met een angstig gezicht.
“Natuurlijk. Als wij alles eerst nog thuis laten sturen, duurt het weer langer, eer je er een beetje presentabel uitziet.”
“Maar ik wil veel liever niet zoo’n stijf korset aan hebben,” klaagde Elsje.
“Geen woord meer. Je doet nu dadelijk, wat ik je zeg,” klonk het gebiedend.
Met een zucht kleedde Elsje zich uit en liet zich door de geduldige winkeljuffrouw het eene korset na het andere aanpassen. O, wat verveelde het haar en wat werden hare beenen moe en stijf van dat lange staan! En hoe ongemakkelijk zaten haar al die nare, rare machines met ontelbare baleinen en wat was het verschrikkelijk om telkens weer de juffrouw te hooren zeggen: “Ziet u mevrouw, van boven past dit heel goed, maar de jongejuffrouw is wat heel breed om het middel en de heupen.” De arme “jongejuffrouw” had op het laatst een gevoel alsof ze een mismaakt schepsel was! En al was het warm in de kamer, toch werden hare armen en haar hals zoo koud en kreeg ze zulk akelig kippenvel! Hoe was het toch mogelijk dat het hare tante niet verveelde naar dat verschrikkelijke passen te kijken en dat zij maar steeds met dezelfde nauwkeurigheid haar oordeel ten beste gaf!
“U kunt dien veter nog wel wat meer aantrekken,” zei ze, toen Elsje eindelijk een korset aan had, dat tamelijk goed paste. De juffrouw voldeed aan het bevel en Elsje kreeg een gewaarwording alsof ze in een soort van harnas vastgesnoerd zat.
“Het zit me nauw,” waagde ze te zeggen.
“Nauw jongejuffrouw?” vroeg het meisje verbaasd. “Dat is toch een heel wijd nummer. Het zal u nog wat ongemakkelijk zijn omdat het nieuw is, maar ik geloof dat u er heel spoedig aan zult wennen.”
“Zij moet dit maar aanhouden,” zei mevrouw d’Ablong beslist. “Nu de onderlijfjes, juffrouw.”
Elsje begreep dat tegenstribbelen niets zou baten en onderwierp zich aan haar lot met de kalmte der wanhoop.
Met een onderlijfje kwam men gelukkig sneller klaar en eindelijk namen zij afscheid van het onderkleeren-departement en bracht de onvermoeide mevrouw d’Ablong haar nichtje in een geheel ander gedeelte van het “modemagazijn”, dat in Elsje’s oogen een reusachtigen omvang had.
Zij bevonden zich nu in een ruim vertrek, waar de japonstoffen werden verkocht. Elsje’s tante koos een paar donkere stoffen voor jurken uit en begaf zich toen naar een kamer, waar Elsje de maat genomen werd en een zeer elegant gekleede dame met mevrouw d’Ablong overlegde, hoe de jurken gemaakt moesten worden. Hiermee was men veel gauwer gereed dan Elsje had durven hopen en hoewel het akelig korset haar knelde en zij zich niet heel opgewekt voelde, verheugde zij zich toch over het feit, dat ze zich niet weer zoo lang behoefde te laten passen. Juist wilde hare tante zich met haar naar de mantelzaal begeven, toen haar nog iets scheen in te vallen en ze tot de elegante dame zei:
“O ja juffrouw, u hebt zeker nieuwe stoffen ontvangen voor baltoiletjes? Waar kan ik die zien?”
“Gaat u even zitten mevrouw en de jongejuffrouw ook, dan kan ik ze wel dadelijk hier laten brengen.”
Ze drukte op een knopje en een jongen verscheen om even later terug te keeren met het verlangde.
“Vindt u dit niet bizonder lief, mevrouw?” zei de juffrouw, een lichtrose stof vertoonend, die zacht en wollig aanvoelde en toch dun en fijn was. “Dat zou deze jongejuffrouw heel goed staan.”
“Jawel, maar wat hebt u daar? Is dat lichtgeel of wit, die kantachtige stof met die fijne, blauwe bloemetjes?”
“Dit bedoelt u? Dat is heel zacht crème, mevrouw, iets beelderigs voor een brunette, vindt u niet? Voor uwe eigene dochter misschien.... u.... neemt u me niet kwalijk, maar u bent immers mevrouw d’Ablong?”
“Ja, en ik wou juist een baljaponnetje hebben voor mijn dochtertje. Stuurt u me dit maar eens op zicht, als ’t je blieft. En.... ja, doet u er dat rose dan ook maar eens bij; het kon zijn dat ik voor dit meisje ook een baltoiletje noodig had.”
“Als ’t u belieft, mevrouw.”
Elsje kon hare ooren nauwelijks gelooven. Een baljurk noodig voor haar! Met groote oogen keek ze haar tante aan, terwijl deze de beide stoffen nog eens nauwkeurig bezag.
“Dus dan stuurt u deze twee van avond nog op zicht?” vroeg ze nog eens.
“Jawel mevrouw.”
“Kom Elsje, dan gaan we nu mantels passen.”
Elsje ging snel mee. Een vraag brandde haar op de lippen.
“Tante,” zei ze zacht, toen mevrouw d’Ablong op het punt was, de “mantelzaal” binnen te gaan.
“Wat is er?”
“Heb ik misschien ook een baljurk noodig?”
Mevrouw d’Ablong glimlachte en keek Elsje vriendelijker aan dan ze vandaag nog gedaan had.
“Wou je dat graag?”
“Ik zou vreeselijk graag eens een bal willen zien,” zei Elsje. “Maar ik zou er liever stil naar kijken dan er aan meedoen, omdat.... omdat ik niet weet of ik alles wel naar uw zin doen zou.”
“Als je je goed houdt en geen kuurtjes hebt en als je op Cécile’s manieren let en die probeert na te volgen, dan.... dan laat ik je bij ons blijven tot na de partij. Cécile heeft er iederen winter een en dit jaar zal er niet alleen gedanst worden, maar ook comedie gespeeld. Als ik dus tevreden over je ben, zul je dat alles bijwonen.”
“O!” was al wat Elsje zeide, maar al was de gedachte haar pijnlijk dat zij de belooning om bij de partij tegenwoordig te zijn, nog moest verdienen, toch scheen het haar iets onuitsprekelijk heerlijks toe eens een “echt bal” te zien. Dat zou iets zijn om van te vertellen, als ze weer tegenover grootmoeder op haar oude plaatsje zat!
“Hoe mooi tante,” zei ze met een dankbaren blik op den warmen, donkerbruinen mantel, dien mevrouw d’Ablong voor haar kocht. Het korset begon wezenlijk al een beetje te wennen, vond ze, hoewel ze een hooge kleur had, omdat ze zooveel minder makkelijk adem haalde dan anders. Er werd bij een Fransch sprekende modiste een hoed met veeren voor haar gekocht; toen gaf hare tante den koetsier bevel naar den kapper te rijden.
Dat viel Elsje niet mee; zij had gehoopt dat zij nu weer naar huis terug zouden gaan, of dat zij eens wat zou mogen gaan wandelen. Ze was zoo gewend om veel in de frissche lucht te zijn; ze snakte er letterlijk naar om de aanraking van den wind te voelen op hare wangen en zich te koesteren in de volle, heldere Januarizon. Met een zucht ging ze met haar tante het “damessalon” van den “coiffeur” binnen.
“Ik kom zelf maar even bij u, mijnheer,” zei mevrouw d’Ablong tot een klein mannetje met donker, krullend haar, “omdat er nogal haast bij is. Wilt u eens zien, wat er van dit haar is te maken? Zet je hoed eens af, kind.”
“Tot uw dienst, mevrouw,” zei de beleefde kapper, buigend als een knipmes. “Ga toch zitten als ’t u belieft en wil de jongejuffrouw dan in dezen stoel plaats nemen?”
En met veel drukte en een vertoon van grooten ijver, schoof hij Elsje een lederen stoel met hooge zitting toe en haalde zijn kam en schaar te voorschijn.
“Het is geen mooi haar,” zei mevrouw d’Ablong, “maar u kunt er toch misschien wel iets aan doen dat het wat aardiger en meer gedistingeerd zit.”
“O ja zeker mevrouw, zeker. Wilt u het hoofd een klein weinigje meer rechtop houden, jongejuffrouw? Zoo is het goed, dank u. Ik geloof dat het lang geleden is dat dit haar gepunt is, mevrouw. Hoe zoudt u het vinden, als ik de jonge dame een heel klein weinigje kleursel in het haar deed? De kleur is.... als ik het zeggen mag, een beetje.... ordinair.”
“Neen, neen, verf wil ik niet in mijn haar hebben!” riep Elsje, driftig opspringend. “Dat kan niet, dat vind ik veel te vies!”
“Ga maar gauw weer zitten, kind,” zei haar tante bedaard, maar met een zeer strengen blik. “Neen mijnheer, u behoeft geen andere kleur aan het haar te geven; van dergelijke kunstmiddeltjes houd ik heelemaal niet, dat weet u wel. Hoe zou het staan, als het een weinig gegolfd werd en als u wat pony knipte van voren?”
“Dat zou wel gaan, mevrouw. Als de jongejuffrouw zoo goed zou willen zijn, haar hoofdje wat stiller te houden. Zoo! Als dit achterhaar nu goed weggeschuierd is en het ponyhaar een weinigje gefriseerd, zult u eens zien hoe goed het staat.”
En ijverig gebruikte hij de krultang, waarbij het Elsje hoe langer hoe benauwder te moede werd.
Eindelijk legde hij het, in hare oogen zeer hatelijke, instrument neer, nam den schuier, streek het achterhaar glad en strikte het lint om Elsje’s hoofd. Toen zijn werk met een blik vol innig welgevallen beschouwend, zei hij:
“Zie eens mevrouw, nu bevalt het u zeker beter, niet waar? Deze coiffure geeft de jonge dame een geheel ander voorkomen, vindt u niet? Alleen nog een klein, heel klein droppeltje van iets, om de kleur iets minder geel te maken?”
“Kijk mij eens goed aan,” zei mevrouw d’Ablong, zonder op de vraag van den kapper te letten. “Trek niet zoo met je wenkbrauwen. Neen, neen, niet dat haar wegschuiven van je voorhoofd.”
“Het jeukt zoo,” zei Elsje verdrietig.
Weer keek haar tante haar aan met een afkeurenden blik; toen zei ze:
“Zoo kan het wel blijven, mijnheer. Als er nog iets aan veranderd worden moet, zal ik u wel een boodschap sturen.”
Eindelijk, eindelijk was er, voorloopig ten minste, niets meer te bestellen ter verfraaiing van Elsje’s toilet en persoon en reed zij met haar tante naar huis terug.
关于
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
评论
成为第一个评论的人
此内容还没有任何评论。开始对话吧!






