Elsje - Sách nói Miễn phí
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk VIII. De Feestavond.
Hoofdstuk VIII.
De Feestavond.
De gewichtige dag aan den avond waarvan de partij zou plaats hebben, was aangebroken en in het huis van mevrouw d’Ablong heerschte een ongewone drukte. De beide deuren der twee kamers, die en suite met elkaar waren verbonden en zich vooraan in het huis bevonden, stonden wijd open, wel een bewijs dat er iets buitengewoons aan de hand was, want deze kamers werden alleen bij feestelijke gelegenheden gebruikt. Mannen liepen onophoudelijk af en aan met hooge, mooie planten in groene kuipen om de hoeken der kamers te versieren en guirlandes van dennengroen en puntige, glanzige klimop werden met smaak om den spiegel en aan den muur bevestigd, waar zij schilderachtig afstaken tegen de teere, lichte kleuren van het behang. Cécile hield met een kritisch oog het toezicht over alles, terwijl hare moeder nu en dan even binnen kwam om te zien, of men goed vorderde met de versiering. “Het moet alles nu eens heel mooi zijn, mama,” had Cécile gezegd, “eens wat anders dan vroeger,” en mevrouw d’Ablong vond alles goed, wat Cécile goed vond en was alleen maar bang dat zij zich te veel zou vermoeien, als zij het zich ’s ochtends reeds zoo druk maakte. Grootmama was met haar kleinzoon, die den vorigen avond gearriveerd was, gaan wandelen. Zij had Elsje gevraagd om mee te gaan, maar daar kon geen denken aan zijn, had Cécile gezegd. Elsje moest noodzakelijk haar rol nog eens bestudeeren, zij kende die volstrekt niet prompt en buitendien was er nog van allerlei te doen. Het was een groote teleurstelling voor Elsje, die toch al veel minder aan de oude dame had dan zij aanvankelijk had gehoopt. Cécile wist altijd op een behendige manier tusschen beide te komen, om een toenadering tusschen deze twee te verhinderen. Zij vond het onnoodig en ongewenscht dat hare grootmoeder zich veel met Elsje bemoeide en deze onder hare bescherming nam. Elsje moest weten, waar zij staan moest; zij was nu eenmaal uit een totaal anderen stand en het was al mooi genoeg dat zij bij de deftige mevrouw d’Ablong logeeren mocht, zooveel mooie kleeren cadeau kreeg, bij de partij mocht zijn, enz. enz. Frits was ook veel te vriendelijk jegens Elsje, hij deed heusch net soms, of hij haar niet onaardig vond! Dat was nu niet noodig, oordeelde Cécile; Elsje zou er maar brutaal van worden, zij was toch al onbescheiden genoeg. En buitendien, zij hoorde hier eigenlijk niet—het was vervelend altijd dat kind overal bij. Cécile zou blij zijn, als zij weer goed en wel naar haar dorp vertrokken was. Mama had haar eigenlijk maar nooit hier moeten laten komen!
Intusschen, zij was niet van plan, haar plezier te laten bederven door Elsje. Gelukkig gedroeg deze zich thans ten minste iets beter dan in ’t begin en als zij zich nu ’s avonds maar een beetje achteraf hield en wat bescheiden was, ook niet te veel danste, want dat deed ze nog allesbehalve mooi,—dan zou alles wel goed afloopen.
’s Avonds, voordat de beide meisjes zich gingen kleeden voor het feest, nam Cécile Elsje nog eens onder handen op haar kamer. “Gedraag je nu als ’t je blieft een beetje netjes,” zei ze, “en lach vooral niet zoo onbeschaafd luid. Dat deedt je gisterenavond telkens, als Frits een aardigheid zei. Die keek ook al zoo vreemd op, toen hij het hoorde!”
“Dat is niet waar,” zei Elsje driftig.
“Zulke uitdrukkingen gebruikt men bij ons niet,” antwoordde Cécile doodbedaard en uit de hoogte. “Je weet nu, waaraan je je te houden hebt. Stel je niet op den voorgrond van avond, dans niet te veel, want dat gaat je nog heel onelegant af en zeg geen onbehoorlijke dingen.”
“Dat doe ik nooit,” zei Elsje koppig.
“Je hebt me nu, geloof ik, wel begrepen,” hernam Cécile scherp. “O, daar is Keetje om je te helpen bij het kleeden.”
Cécile verdween en Keetje haastte zich, aan Elsje’s toilet te beginnen. Een beelderige baljurk van de zachte, rose stof gemaakt, die mevrouw d’Ablong in den winkel had uitgezocht, lag op het bed. Cécile zou een nieuw balkleedje dragen van het bewuste, teergele, kantachtige weefsel met de fijne, blauwe bloempjes. Elsje had een kleur gekregen, toen de naaister haar paste en er over uit was, zoo goed als het rose haar stond. Ze was meisje genoeg, om hiervoor niet ongevoelig te zijn en ze verlangde naar het bal en zag er tegen op tegelijk. Keetje besteedde bizonder veel zorg aan het kapsel en slaagde werkelijk gelukkig.
“Kijk nu eens even in den spiegel, jongejuffrouw,” zei ze, “en zie eens, hoe het u zoo bevalt. De kuif zit, dunkt me, veel beter dan anders, ik heb er erg mijn best op gedaan.”
“Ik vind het keurig,” zei Elsje verlegen; zij was niet gewend om veel in den spiegel te kijken. Een lichte huivering van half prettige, half “griezelige” agitatie voer haar door de leden, toen Keetje de jurk voorzichtig van het bed nam en haar over de schouders liet glijden. Het ruime lijfje, smaakvol met een weinig ragfijne kant gegarneerd, zat keurig, en aardig staken de lage, goudleeren dansschoentjes en de zijden kousen onder den ruimen rok uit. Elsje bleef met neergeslagen oogen staan, terwijl Keetje handig en vlug haar werk deed. Zij had een gevoel, alsof zij iemand anders was en toen Keetje op goedkeurenden toon zei: “Ziezoo, nu bent u klaar!” keek ze met een droomerig lachje op. Ze verroerde zich niet en haar hart klopte sneller, toen Keetje de kaarsen op den schoorsteen aanstak en zei:
“Nu moet u eens voor den grooten spiegel gaan staan, zóó, dan kunt u uzelf van top tot teen bekijken.”
Zij duwde Elsje zacht naar voren en toen deze de oogen opsloeg, zag ze haar beeld plotseling levensgroot in den fraaien spiegel weerkaatst. Met zekeren nieuwsgierigen schroom keek ze naar de bekende en toch zoo ongewone verschijning. Ze zag een bedeesd meisjesgezicht met een warmrood blosje op de wangen, groote, schitterende oogen, waarin een uitdrukking van kinderlijke verlegenheid lag, een half blooten hals, door een teere kantwolk omsloten, en een stevig, rond figuurtje, waaromheen lichtrose plooien bevallig waren gedrapeerd. Ze haalde eens diep adem en keerde zich half beschaamd van den spiegel af, als vond ze dat ze nu reeds meer dan lang genoeg gekeken had. Keetje bezag haar nog eens met een langen, onderzoekenden blik, om te ontdekken of zij nog iets verzuimd had, toen zei ze:
“Nu ga ik mevrouw even roepen, jongejuffrouw. Zij heeft mij gezegd dat ik dit doen moest, als u klaar waart.”
Zij ging de kamer uit en kwam bijna onmiddellijk terug met mevrouw d’Ablong, die reeds geheel gekleed was in een japon van zware, ruischende zwarte zijde. Een prachtige, diamanten broche prijkte aan haar hals.
“Heel netjes,” zei ze, nadat zij Elsje nauwkeurig van top tot teen had opgenomen. “Kijk maar niet zoo bedremmeld, kind; kom, laat mij eens zien hoe je gezicht er uit ziet.” En het meisje vriendelijk bij de kin vattend, keek ze haar lachend aan.
“Wat heb je een kleur en wat schitteren je oogen!” zei ze, “het is net of je een ander kind bent. Nu, vindt je het nu ook prettig dat ik je die mooie jurk heb gegeven en ben je nu van plan om eens een heelen boel plezier te hebben van avond?”
Elsje knikte.
“Wat zal grootmoeder verlangen naar al je verhalen,” vervolgde mevrouw d’Ablong, die in een bizonder goed humeur was, nu ze zag hoe lief Elsje het mooie toiletje stond. “Je zult wel dansers krijgen hoor, doe vooral goed je best om de passen netjes te maken.”
En in een, bij haar zeer ongewone, opwelling van teederheid voor Elsje, kuste zij haar op de wang.
“Maar kindje, wat gloeit je gezicht!” riep zij uit, “ben je zoo opgewonden?” Toen, met een plotselinge verandering van toon: “Ik vind toch dat die garneering om den hals wat kaal staat. Je hals is ook niet blank genoeg om zoo ver bloot te zijn. Je moest eigenlijk... ja, wacht eens, ik zal je voor dezen éénen keer mijn parelsnoer leenen; dat zal bepaald mooi staan bij die crème kant. Maar het is heel, heel kostbaar, Elsje, pas dus vooral goed op dat je het niet verliest. Het is een erfstuk van de familie d’Ablong en buitendien een groote som gelds waard.”
“Maar dan wil ik het eigenlijk veel liever niet dragen, tante, als er eens wat aan kwam....”
“Onzin! Wat zou er nu aan een parelsnoer komen, dat je gewoon om je hals draagt! Blijf hier maar even wachten, ik kom dadelijk weer terug.”
Een paar minuten later kwam zij de kamer weer in met den kostbaren ketting in haar hand. Juist wilde zij de deur sluiten, toen Cécile op den drempel verscheen.
“Ik zag u hierin gaan, mama,” zei ze, “ik ben klaar. Niet onaardig, vindt u wel?”
Mevrouw d’Ablong keerde zich snel om en met een glans van moederlijken trots op haar gelaat, keek ze naar de jonge meisjesgestalte, die in al de schoonheid van een allerelegantst toiletje, kwistig met lichtblauwe strikken en volants van slap neerhangende kant versierd, voor haar stond. Het weelderige, donkere haar viel krullend en golvend neer langs den blanken hals en werd alleen in bedwang gehouden door een lossen strik van lichtblauw lint, dat mooi afstak bij de warmbruine kleur van het haar. De groote, donkere oogen, de fraaie teekening der wenkbrauwen, de lange oogwimpers, de bevallige ronding der armen, de slankheid van het figuurtje—alles scheen bij deze smaakvolle kleeding nog meer uit te komen dan anders en zonder de minste poging om hare bewondering te verbergen en Cécile’s ijdelheid te temperen, riep mevrouw d’Ablong uit:
“Allerbeelderigst Cilly! Je ziet er meer dan snoeperig uit! Heeft grootmama je al gezien en Frits?”
“Neen mama.”
“Dan zou ik maar gauw naar beneden gaan. Het is ook al niet vroeg meer. Maar kijk nog eens even naar Elsje; vindt je niet dat dat japonnetje haar aardig staat?”
Cécile verwaardigde zich niet, meer dan een vluchtigen blik op haar nichtje te werpen en zei op onverschilligen toon:
“Het gaat nogal.” Toen opeens driftig: “Maar mama, waarom heeft ze uw parels aan?”
“Het stond anders zoo kaal; die kant valt zoo erg naar beneden, hier van voren.”
“Nu, u moet het weten, maar ik vind dat parels al allerminst bij Lizzie passen.”
“Kom Cilly, nu niet zulke onaardige dingen zeggen,” zei hare moeder op vergoelijkenden toon. “Nu maar naar beneden meisjes, ik ben trotsch op jullie alle twee.”
Grootmama en Frits waren vol lof over het fraaie baltoiletje van Cécile en Frits plaagde zijn nichtje met haar zwak voor mooie kleeren. Naar Elsje keek de oude dame met een vriendelijke tinteling in hare oogen, alsof het haar goed deed in het eenvoudige kindergezichtje te zien, dat gloeide van koortsachtige spanning. Zij trok Elsje naar zich toe en kuste haar en Frits keek haar vroolijk aan en zei lachend:
“Niet alle dansen weggeven aan anderen, hoor Roodkapje! Ik reken er vast op dat je er twee of drie met mij doen zult.”
“Aan het dansen zijn wij nog zoo gauw niet toe,” viel Cécile haastig in. “Eerst babbelen we een beetje en laten onze balboekjes vullen, maar voordat het wezenlijke dansen begint, voeren we het tooneelstukje op.”
“O,” riep Frits, groote oogen opzettend, “moet daar die fraaie tribune voor dienen?”
“Ja, en nu vertel ik je verder niets meer,” zei Cécile met geveinsde knorrigheid. “Je moogt het gordijn wegtrekken, dat als scherm dienst doet van avond en dan moet je oplettend en bewonderend naar de comedie kijken.”
“UEd. hebt maar te bevelen,” zei Frits, het hoofd buigend.
Toch kwam het anders uit dan Cécile zich had voorgesteld. Toen al de gasten, een vroolijke, levendige stoet van jongens en meisjes van 14 tot 18 jaar, verschenen waren en de prettige tonen der muziek werden gehoord, smeekten allen zoo dringend om een, twee dansjes, voordat er iets anders gebeurde, dat Cécile wel toe moest geven, hoewel zij het niet heel vleiend vond dat er naar de tooneelvoorstelling niet meer werd verlangd. Daarbij kwam dat Frits met onverklaarbaren slechten smaak er op stond den eersten dans met Elsje te doen, die verbaasd en verrukt haar hand op zijn arm legde en door hem geholpen, veel beter en met veel meer genot danste dan zij had durven hopen. En hoewel het Cécile gelukte de jeugdige cavaliers, die zich als om strijd verdrongen om hunne namen in haar balboekje op te schrijven, van Elsje af te houden, toch verminderde dit het gevoel van bitterheid niet, dat bij haar opkwam, toen ze Frits ook den tweeden dans met Elsje zag doen. Eindelijk, bij den derden zag ze haar als “muurbloem” op een der stoelen zitten en toen deze dans afgeloopen en het oogenblik gekomen was, waarop de actrices zich uit de balzaal moesten verwijderen, ging ze snel naar Elsje toe en fluisterde:
“Ga terstond mee, we moeten ons stukje doen.”
Elsje stond dadelijk op en volgde haar naar de achterkamer, waar een klein tooneel was geïmproviseerd, terwijl de meisjes zich verkleeden moesten in een vertrekje, dat door een deur met de achterkamer was verbonden. Een tweede deur kwam op de gang uit. Loulou, Cato, en Emma waren er reeds, toen Cécile en Elsje binnen kwamen.
“O Cilly, wat zie je er beelderig uit van avond!” riep Cato. “Jij bent natuurlijk weer la reine du bal.”
“Zoo!” zei Cécile op onverschilligen toon. “Ik heb anders nog niet heel veel plezier gehad; ik schaam me zóó over Lizzie.”
“Over mij?” vroeg Elsje verbaasd, wier vroolijke oogen toonden dat zij wel plezier gehad had.
“Ja, over jou! Heet hier anders soms iemand Lizzie?”
“Alsof ik wel zoo heette!” lachte Elsje. “Maar wat heb ik dan gedaan?”
“Als je dat niet begrijpt, kan ik het je niet uitleggen,” zei Cécile boos. “Je hebt je heel onbehoorlijk en coquet aangesteld. Sta daar nu maar niet zoo dom te kijken, maar maak liever voort. Denk er aan dat jij het eerst opkomen moet en dus ook het eerst klaar moet zijn. Speel nu als ’t je blieft een beetje goed en spreek duidelijk, maar gil en lach niet zoo onbeschaafd.”
Elsje antwoordde niet. Zij wilde zich goed houden en beet zich op de lippen om zichzelf tot zwijgen te dwingen. De anderen keken Cécile verbaasd aan, maar achtten het ook wijs niets te zeggen. Emma hielp Elsje aan hare kleeding en zette haar het nette, witte mutsje op, dat zij als dienstmeisje dragen moest. Allen waren druk bezig, hare baltoiletten te verwisselen voor de eenvoudiger kleedij, waarin zij haar rol vervullen moesten.
Eindelijk kon de voorstelling een aanvang nemen. In lange rijen zaten en stonden de gasten in afwachting van hetgeen zij te zien zouden krijgen. Frits trok met een plechtig gezicht het gordijn weg en Cécile duwde Elsje naar voren en fluisterde boos:
“Kom, gauw nu maar, treuzel niet, als ’t je blieft.”
“Neen,” zei Elsje gejaagd, terwijl ze zich opeens heel zenuwachtig voelde en buitengemeen geneigd om weg te loopen, niet in de richting van het tooneel. Zij vermande zich echter en trad moedig naar voren, hoewel ze vreemd duizelig werd en hare oogen als in een witten nevel zagen.
Zoo duidelijk sprekend als haar maar mogelijk was, begon ze te spelen, maar ze wist nauwelijks, wat ze zeide. Ze kende echter haar rol zoo prompt dat ze geen oogenblik haperde, totdat plotseling een jongensstem uit de toeschouwers riep:
“Niet met je rug naar het publiek! Keer je eens om!”
“Sst.... stil.... stil....” riepen verscheidene andere stemmen.
“Nu ja, maar we zien en hooren zoo niets,” zei de eerste stem weer.
Elsje keerde zich om—zij wist niet eens dat zij met haar rug naar het publiek toe had gestaan—en begon nog eens. Nauwelijks echter had zij een paar zinnen gezegd, of hare stem begaf haar. Zij hapte naar adem en keek met een hulpelooze, angstige uitdrukking in hare oogen naar de zee van nieuwsgierige gezichten voor haar. Zij probeerde nog eens en nog eens, maar er kwam geen geluid. De tooneelkoorts had het arme kind deerlijk in hare macht; zij stond te trillen op hare beenen, het suisde in hare ooren en zij voelde zich diep ongelukkig. Al haar moed begaf haar en met een wanhopig gebaar sloeg zij de handen voor het gezicht en barstte in tranen uit.
Frits schoof snel het gordijn weer voor het tooneel.
“Even geduld, dames en heeren,” riep hij, “een onzer actrices is een weinig ongesteld geworden. Straks zal de voorstelling wel weer opnieuw kunnen beginnen.”
Intusschen had Cécile Elsje driftig bij den arm genomen en meegetrokken naar het kleedkamertje. Elsje volgde gedwee en hard snikkend.
“Je hebt alles, alles bedorven!” knorde Cécile. “Wij hadden je nooit mee moeten laten spelen! En wat moeten wij nu beginnen?” vervolgde ze, zich tot de anderen wendend, “met die erbarmelijk snikkende Lizzie kunnen wij niets uitvoeren.”
“Mag ik binnen komen?” vroeg een stem aan de deur, die op de gang uitkwam.
“Wie is daar, wie is daar?” riepen Loulou en Emma tegelijk.
“Wie ben je?” riep Cécile.
“Kitty van Heusde,” antwoordde de stem. “Laat mij heusch maar binnen—ik kom jullie helpen.”
Emma opende de deur en een klein, dik meisje met een rond, prettig gezicht, trad snel binnen.
“Ik wou vragen,” zei ze, “of ik voor dienstmeisje zal spelen. Ik ken het stukje heel goed, wij hebben het juist bij ons thuis opgevoerd, op Papa’s verjaardag. Misschien wil zij,” en zij wees medelijdend op Elsje, die op een stoel zat te schreien, “er wel graag af.”
“O ja natuurlijk,” zei Cécile. “Dat treft heerlijk, Kit. Verkleed je dan maar gauw. Kom Lizzie, trek dat costuum eens uit. Het zal je wel passen denk ik, Kitty, jullie zijn zoowat even groot.”
Elsje gehoorzaamde en bleef toen met een treurig gezicht, in haar onderlijfje zitten. Emma vroeg haar vriendelijk of ze haar even zou helpen om haar baljurk weer aan te trekken, maar ze schudde droevig het hoofd. De andere meisjes lieten haar aan haar lot over. De voorstelling begon weer, thans met de allesbehalve bedeesde Kitty van Heusde als dienstmeisje, en was in vollen gang, toen Elsje nog steeds bitter terneergeslagen in het kleedkamertje zat. Juist waren al de vijf actrices op het tooneel bezig, toen de eene deur van het vertrekje zacht geopend werd en de oude grootmoeder binnen kwam.
“Maar kindje,” zei ze, hare hand op Elsje’s schouder leggend, “zit je hier nog zóó? Wel foei, dat is nu net om kou te vatten en ziek te worden! Kom, laat ik je maar eens gauw weer netjes maken. Dit is je japonnetje, he?”
“Ja,” zei Elsje, “maar ik durf toch niet weer naar binnen.”
“Niet weer naar binnen! Dat meen je niet! Je zult eens zien hoeveel plezier je nog zult hebben. Sta maar eens gauw op.”
Elsje durfde niet tegen te stribbelen en in een oogenblik had de handige, oude dame haar de mooie, rose jurk aangetrokken. Het kostbare parelsnoer werd weer om haar hals bevestigd, toen sloeg grootmama den arm om haar heen, trok haar naar zich toe en zei:
“Zullen we nu samen weer naar binnen gaan?”
“Ik durf wezenlijk niet,” zei Elsje bevend.
“Kom, kom, een beetje moedig wezen. Leg je hand maar hier, zóó; nu gaan we gearmd naar binnen.”
Elsje drukte zich dichter tegen de oude dame aan, toen zij de danszaal weer inging. Het binnenkomen viel haar echter erg mee. Al de gasten waren verdiept in het tooneelstukje en bijna niemand keek om, toen hare begeleidster met haar op een der achterste rijen zitten ging, waar nog twee stoelen leeg waren. Mevrouw d’Ablong alleen wierp haar een koelen blik toe en wenkte grootmama om naar voren te komen en haar vroegere plaats in te nemen. De oude dame knikte echter ontkennend en bleef bij Elsje.
Met een hoogroode kleur en koude handen zat deze verlegen en beschaamd naast haar en hoewel zij zich langzamerhand een beetje meer op haar gemak begon te voelen en weer eens om zich heen durfde te zien, kwam de vroolijke stemming, waarin zij bij het begin van den avond was geweest, niet terug. Toen het comediestukje geëindigd was en de jeugdige actrices levendig waren toegejuicht en herhaaldelijk teruggeroepen, nam grootmama afscheid en ging naar hare kamer. Zij was moe en men zou zich nu ook wel zonder haar kunnen amuseeren, betuigde ze lachend. Zij fluisterde Elsje nog een paar bemoedigende woorden toe en ging toen heen. Het arme kind voelde zich nu weer erg verlaten. Hare tante durfde zij niet onder de oogen komen en Frits evenmin en toen Cécile, Loulou en Cato haar met spottende gezichten voorbij gingen en ze Cato hoorde zeggen: “Dat laffe kindje moest maar naar bed gaan, dunkt me,” trok zij zich angstig terug in een stil hoekje achter een paar hooge dennestruiken, waar toevallig een stoel stond. Juist vroeg ze zich af, of het werkelijk maar niet beter zou zijn dat ze stil naar haar kamer ging—niemand zou haar zeker missen, dacht ze met bitterheid—toen ze een frissche koelte hare wangen voelde streelen en bemerkte dat ze dicht bij een raam zat, dat half open stond, zeker om te verhinderen dat het in de balzaal te benauwd werd. Het was een mooie Februari-avond en Elsje knielde met een zucht van welbehagen voor het venster neer, legde haar hoofd op het kozijn en keek naar buiten. Wat flonkerden de sterren en wat was de lucht donkerblauw en welk een heerlijke geur verspreidden de dennen naast en achter haar! Als zij de dansmuziek niet zoo duidelijk had gehoord, zou ze zich bijna hebben kunnen verbeelden dat ze buiten was in het bosch, met de plechtige stilte van den avond om zich heen en den schitterenden sterrenhemel boven haar hoofd. Hé, wat was het heerlijk om die verkwikkelijke koelte over hare gloeiende wangen te voelen glijden! Zij stak haar hoofd verder buiten het raam en keek met een ernstig gezicht naar boven, terwijl ze hare handen gevouwen op de vensterbank hield. Zoo bleef ze onbewegelijk een oogenblik zitten. Een lokje van heur haar viel naar voren en zij schoof het met de linkerhand weg, waarbij deze even in aanraking kwam met het kanten plooisel om haar hals. Tegelijkertijd voelde ze plotseling dat ze het parelsnoer niet meer om had. Met een snelle beweging trok zij haar hoofd naar binnen, voelde nog eens en nog eens, maar de kostbare ketting was geheel verdwenen. Hevig verschrikt sprong zij op en zocht op den grond om zich heen, op de vensterbank, bij de dennen—alles te vergeefs. Zij wist zeker dat ze het snoer nog om had gehad toen ze hier ging zitten, want ze had toen nog een paar achterharen losgetrokken uit het slootje, dat daaraan was blijven haken—waar kon de ketting opeens gebleven zijn? Radeloos sloeg zij de handen in elkaar en trachtte na te denken. Daar viel haar iets in! Misschien was het slootje losgeraakt en het parelsnoer uit het raam naar buiten gevallen, terwijl zij naar den sterrenhemel opkeek. Terstond stak zij haar hoofd weer buiten het venster en keek scherp rond, of zij in het maanlicht de parelen ook ergens op de stoep zag liggen. Maar er was niets te zien dan de blauwe steenen der stoeptreden en de stille, rustige gracht, die op dit oogenblik van den avond gewoonlijk zeer weinig werd bezocht. Zij moest verder zoeken, verder zoeken.... Als er eens iemand voorbij gekomen was en het parelsnoer opgeraapt en meegenomen had, terwijl zij bezig was bij de dennen er naar te zoeken! Haar hart klopte hevig bij die verschrikkelijke gedachte! Nooit, nooit zou zij hare tante weer onder de oogen durven komen, voordat ze het kostbare sieraad teruggevonden had! Wie was er, die haar helpen kon? Niemand, niemand! Grootmama was zeker al te bed gegaan, Miss Piper zat den geheelen avond rustig op haar kamer en buitendien—zij zouden toch niet weten, waar de parels gebleven waren! O, zij moest zoeken, zoeken, net zoolang tot zij ze weer had, den geheelen nacht door, als het noodig was. Hoe kon zij hier ook nog blijven staan! Zij moest dadelijk naar buiten gaan en overal kijken bij de stoep—van hieruit kon zij toch ook onmogelijk goed zien.
Daar hoorde zij de stem van Frits roepen: “Waar is Roodkapje toch?” En Cécile, die lachend terugriep: “Zeker naar boven gegaan, het is kleine kinderen-bedtijd!” En bevend en angstig, doodsbenauwd dat iemand haar zien zou, snelde zij uit haar schuilplaats naar de deur der kamer, die zich gelukkig dicht bij het venster bevond. Tot haar blijdschap kwam ze niemand tegen in de helder verlichte gang en in een ondenkbaar kort oogenblik had ze de voordeur geopend en stond ze op de stoep. Toen keek ze snel rond. Daar was het open raam, waaruit ze naar buiten had gekeken, dan zou het snoer hier kunnen liggen. Ze liep haastig twee der stoeptreden af en zocht, zocht uit alle macht, dan hier, dan daar, overal waar het maar met eenige mogelijkheid heen zou hebben kunnen glijden—maar het was en bleef weg. Het was verschrikkelijk! Het arme kind werd hoe langer hoe wanhopiger. In haar zenuwachtigen toestand deed ze zichzelf de hevigste verwijten over hare onvoorzichtigheid om het hoofd uit het raam te steken. Met gloeiende wangen, een brandend gevoel in de oogen en overigens koud en rillend van agitatie, liep zij nog eens en nog eens de stoep op en af. Al haar zoeken bleef vruchteloos, een hevige angst voor den toorn harer tante maakte zich van haar meester en in hare radeloosheid nauwelijks in staat tot geregeld denken, stond zij een oogenblik met bange, groote oogen te kijken langs de stille gracht. Wat moest ze beginnen? Weer naar binnen gaan, durfde ze niet—kon ze maar ergens heen gaan, vluchten, weg, ergens, waar ze dien nacht kon blijven en dan morgen naar huis, naar grootmoeder en die alles vertellen. Die zou haar dan wel helpen om alles aan tante te schrijven....
En tante zou haar niet missen van avond, die dacht natuurlijk dat zij al naar bed was, dat dacht Cécile immers ook.... maar waar zou ze heen; waar?
Daar kreeg ze plotseling een inval. Ja, ja, dat zou gaan! En zonder zich een oogenblik te bedenken, vloog ze als een pijl uit den boog de hooge huizen langs, een wonderlijke verschijning in haar fladderend licht toiletje, zonder hoed op het wuivende blonde haar en met de dunne, sierlijke dansschoentjes aan de voeten. Op den hoek der gracht sloeg ze de breede winkelstraat in, die nog helder verlicht was; het was ongeveer tien uur. De voorbijgangers keken nieuwsgierig naar haar, maar zij lette niet op hunne verbaasde gezichten en snelde al maar voort, voort, tot ze voor den kleinen kruidenierswinkel stond, waarmee ze vroeger kennis had gemaakt. Met een bevende hand deed ze de winkeldeur open en trad binnen. Een man, die achter de toonbank stond, keek haar met sprakelooze verwondering aan. Dat was een vreemde klant op den laten avond, vond hij.

“Zonder zich een oogenblik te bedenken, vloog ze de hooge huizen langs....”
“Ik.... ik.... is uw vrouw binnen?” vroeg Elsje hijgend.
“Jawel, die is thuis,” zei de man met een hoofdknik. “Maar wat moet u met haar, jongejuffrouw? Het is al zoo laat, ik begrijp niet....”
“Dus zij is binnen?” viel Elsje hem haastig in de rede en zonder zijn antwoord af te wachten, liep ze de smalle gang door en de kamer achter den winkel in. De kruidenier volgde haar terstond.
“Lieve tijd, wat is dat?” riep zijn vrouw, ontsteld van haar stoel opspringend, toen ze Elsje zag. “Wat moet dat jonge dametje hier, Gerrit? En in die dunne kleeren....”
“Ik ben het, Elsje, u kent mij toch nog wel?” zei Elsje gejaagd en schreiend. “En ik kom u vragen, of ik hier van nacht mag blijven. Morgen ga ik weer weg—naar huis terug, naar grootmoeder.”
“Ja, nu zie ik het,” zei de vrouw, “je bent dat zelfde meisje, dat Evert laatst voor een ongeluk heeft bewaard. Maar lieve kind, waarom ben je weggeloopen van die tante, bij wie je logeerde en dan nog wel zoo koud gekleed! Kom, schrei nu niet. Vertel mij maar eens waar je logeert, dan zal mijn man je wel even thuis brengen. Wat is er toch? Waarom ben je zoo vreeselijk bedroefd?”
“O, ik kan het u niet zeggen en ik kan niet weer naar tante terug gaan, heusch niet! Ik heb iets verloren van haar, iets heel kostbaars en ik kan niet weer naar haar toegaan, voordat dat terug is! Och, laat mij hier van nacht blijven, als ’t je blieft, als ’t je blieft.”
“Maar je tante zal zoo ongerust worden, als ze niet weet, waar je bent. Kom, zeg ons nu maar even, waar ze woont en schrei niet meer zoo vreeselijk! Het is toch zeker ook maar een ongeluk geweest dat je dat mooie ding hebt verloren. Ik zou maar gauw weer naar huis gaan en haar alles zeggen, dat is veel beter, gerust, en dan zal mijn man je even brengen. Is ’t niet Gerrit?”
Gerrit, die zijn vrouw voortdurend het woord liet doen en nog steeds met de uiterste verbazing op zijn gezicht stond toe te kijken, knikte toestemmend.
“Neen, neen!” riep Elsje angstig. “Ik kan niet weer terug, wezenlijk niet, och, geloof mij toch! En tante zal niet ongerust zijn, want zij denkt dat ik al in bed lig. Laat mij hier blijven van nacht, als ’t je blieft, als ’t je blieft! Morgen zal ik weer weggaan....”
Er was niets met haar te beginnen. Zij was zoo over stuur en zoo angstig bevreesd dat men haar haar zin niet zou geven, dat de vrouw eindelijk hoofdschuddend toegaf, haar in Gerrit’s gemakkelijken stoel bij de tafel duwde en zei:
“Nu, nu, blijf hier dan maar van nacht. Rust nu maar eens even uit en probeer wat kalmer te worden.”
Toen ging zij met haar man de kamer uit.
“Wij moeten haar in vrede’s naam van nacht maar hier houden,” zei ze. “Het arme kind is heelemaal in de war. Het is te hopen dat die tante van haar werkelijk niet ongerust over haar is. Als ze nu van nacht eens goed geslapen heeft, zal ze morgen wel wat handelbaarder zijn. Ze kan natuurlijk toch niet reizen in die jurk; ze heeft niet eens een hoed en mantel bij zich en wie weet, of ze wel reisgeld heeft meegenomen! Ze schijnt opeens weggeloopen te zijn. Ze ziet er als een echte jongejuffrouw uit nu met die mooie kleeren, heel anders dan toen ik haar voor ’t eerst zag. Toen leek ze een gewoon burgermeisje. Het is een raadselachtige geschiedenis, Gerrit; misschien komen we er morgen achter. Er is nu niets uit het arme kind te krijgen. Ik moet haar maar gauw in bed stoppen. Gelukkig dat Jan net voor vier dagen naar zijn ouders is, nu kan ze in zijn bed slapen.”
Jan was de bediende, een buitenjongen, die bij den kruidenier in de leer was.
Giới thiệu
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Bình luận
Hãy là người đầu tiên bình luận
Chưa có bình luận nào về nội dung này. Hãy bắt đầu cuộc trò chuyện!






