Elsje - Sách nói Miễn phí
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk XII. Naar Buiten!
Hoofdstuk XII.
Naar Buiten!
“Misschien zal het dan toch maar beter zijn Elsje thuis te laten met Miss Piper,” zei mevrouw d’Ablong op een ochtend in Juni, toen de dokter er geweest was en haar geraden had, Cécile een poosje de zeelucht te laten genieten.
“O ja mama, veel beter,” antwoordde Cilly beslist. “Hadt u er heusch over gedacht haar mee te nemen? Zij weet zich nog zóó weinig te gedragen. Verbeeld u, met haar in dat groote hotel en aan table d’hôte, dat zou immers heelemaal niet gaan!”
“Och, dat weet ik niet. Zij begint toch wezenlijk al aardig aan te leeren. En de zeelucht zou zeker ook goed voor haar zijn; zij is bizonder stil den laatsten tijd en ze ziet er ook weer minder goed uit dan ze gedaan heeft. Het spijt me dat ik den dokter niet eens gevraagd heb, wat hij ervan dacht.”
“Maar mama, hij heeft immers verleden week nog gezegd dat zij nu heusch totaal beter was en dat ze alleen nog maar wat versterkt behoefde te worden. Zoo’n rustig tijdje met Missy alleen zal juist heel goed voor haar zijn. En in September gaan wij immers bij grootmama logeeren. Dan komt Lizzie dus toch buiten!”
“Och Cilly, waarom blijf je dat arme kind nu toch altijd Lizzie noemen? Ik vind het zoo overdreven van je. Elsje is immers een heel aardige naam en je doet er haar zoo’n verdriet mee dat je nog altijd Lizzie zegt! Zij doet zelf haar best om hier te wennen en zich naar mijn zin te gedragen, waarom wil jij nu ook niet een beetje vriendelijker voor haar zijn?”
“Ik begrijp u niet, mama,” zei Cécile, terwijl zij zich met een zucht in een gemakkelijken stoel liet vallen. “Ik dacht juist dat ik mij niets te verwijten had tegenover Lizzie of Elsje, als u dat dan zooveel liever hebt. Ik wil haar ook wel Elsje noemen, hoe kon ik ook weten dat zij daar zoo bizonder op gesteld is! Maar ik vind het heel verdrietig dat ik het u niet naar den zin heb gemaakt. Ik doe zóó mijn best. Toen zij jarig was laatst, heb ik nog bloemen voor haar gekocht en toen heeft ze me daar nog wel zoo overdreven hartelijk voor bedankt. Ik kon het toch niet helpen dat die verjaardag een treurige dag voor haar was!”
“Neen Cilly, dat spreekt van zelf, dat kon je ook niet. Maar ik houd vol dat je meer van Elsje zult kunnen gaan houden, als je dat wilt—wezenlijk wilt en dat jij kunt maken, dat ze zich hier in huis meer op haar gemak gevoelt en beter over weg kan met jouw kennissen.”
“Maar mama, hoe kunt u het zeggen! Loulou en Cato vinden juist dat ik er mij bizonder goed onder houd dat Elsje hier moet wonen. Als u eens wist hoe moeielijk ik het soms vind om mij niet aan haar te ergeren en niet driftig te worden, als zij rare dingen zegt of doet.”
“Nu kom Cilly, dat gebeurt nu toch zoo heel dikwijls niet meer.”
“Och, laten wij er maar niet meer over spreken, mama, wij worden het toch niet eens en—dat zult u misschien heel dwaas vinden—maar ik krijg er zoo’n hoofdpijn van. De dokter vond bepaald ook dat ik erg zenuwachtig was. Och, maar dat komt er niets opaan. Ik beloof u dat ik mij nog meer zal inspannen en laat Elsje dan maar wèl met ons mee gaan op reis. Laten we dan nu heusch over wat anders gaan spreken, mama, ik kan wezenlijk niet langer over Elsje praten. Het is heel flauw van me natuurlijk, maar het agiteert me ontzettend.”
En met een air van lusteloosheid leunde zij achterover in haar stoel en deed hare oogen dicht, alsof ze eigenlijk te moe was om nog een woord te zeggen.
“Cilly, kindje,” zei mevrouw d’Ablong ongerust, terwijl zij opstond en zich over Cécile heenboog, “voel je je wezenlijk moe? Maar waarom heb je me dat dan niet eerder gezegd? En heb je hoofdpijn ook? Ja, je ziet bepaald bleek! Maar snoesje, waarom laat je me dan toch ook doorspreken?”
“Och het is niets, mama,” zei Cécile, hare oogen openend en tot hare moeder opslaande, “ik voel me alleen maar een beetje op, anders niet.”
“Maar hoe komt dat dan? Zou je het je gisteren te druk hebben gemaakt met dien bazaar? Je hebt toch goed geslapen van nacht?”
“Ja moedertje, zeker. Toe, wees nu maar niet ongerust. Ik ben heusch heel wel, alleen maar een beetje zenuwachtig.”
“Maar Cilly, dat ben je anders nooit, wat is er dan toch? Je hebt toch niets dat je hindert?”
Cécile zweeg even, toen zei ze:
“Het is heusch niets, mama. Het zal wel weer overgaan, wezenlijk.”
“Maar dan gaan we dadelijk naar zee, morgen of overmorgen. Waarom heb je het mij toch niet eerder gezegd, snoesje? Er is toch immers niets dat je hindert?”
“Och lieve mama, laten wij er nu maar niet meer over praten. Het is heel kinderachtig van me om zoo zenuwachtig te zijn. Maar het is waar, ik voel me eigenlijk al lang een beetje zwak en op. De zeelucht zal mij wel heelemaal weer opknappen, heusch. Het komt alleen, omdat....”
“Nu, omdat?”
“Och neen, laat ik het u maar niet zeggen. Zullen we dus maar besluiten dat Elsje met ons meegaat, moedertje?”
“Dat weet ik niet. Elsje kan mij nu ook op ’t oogenblik niets schelen. Wat is er, Cilly? Ik moet het weten!”
Cécile sloeg de oogen neer, keek toen weer op met een smeekenden blik en zei:
“Ik zeg het heusch liever niet, mama, ik doe er u bepaald verdriet mee.”
“Alsof je me nu geen verdriet doet! Kom kindje, zeg het mij nu.”
Weer sloeg Cécile de oogen neer. Toen fluisterde ze, half klagend:
“Ik had het u veel liever niet willen zeggen. Het is alleen maar, dat.... dat ik zoo moe word van Elsje.”
“Moe van Elsje! Hoe meen je dat, lieveling?”
“Ik weet niet hoe ik het zeggen moet, mamaatje,” zei Cécile, haar hoofd tegen den schouder van mevrouw d’Ablong leggend, die teeder de armen om haar heensloeg. “Het is eigenlijk al heel lang. Het agiteert me dat Elsje zoo dikwijls iets doet dat u hindert, het maakt me geagiteerd dat u vindt dat ik niet lief voor haar ben, en.... en... och het agiteert me heelemaal dat zij er is. Erg flauw van me, vindt u niet? Ik vind het zelf ook en het is dus veel beter dat zij wel met ons meegaat. Langzamerhand zal ik die rare kuren wel afleeren.”
“En heb je je daardoor nu al lang zwak en moe gevoeld, Cilly? Hoe is het mogelijk dat ik daar niets van gemerkt heb!”
“Ik heb gedaan wat ik kon om het u niet te toonen,” zeide Cécile, haar moeder een kus gevend. “U hadt toch al genoeg verdriet, lief moedertje. Maar nu spreken wij er niet meer over, he? En Elsje gaat stellig met ons mee?”
Maar mevrouw d’Ablong schudde het hoofd.
“Neen, nu gaan we zeker met ons beiden. Arm kindje! Heeft je dat allemaal zoo gehinderd? Ik ben blij dat ik het weet; Elsje moet nu stil bij Missy blijven en als wij dan later allen samen bij grootmama zijn, ben jij weer heelemaal gezond en sterk, hoop ik. En dan zal langzamerhand alles wel beter gaan.”
“Bent u heusch niet boos op mij, moedertje?”
Tot eenig antwoord trok mevrouw d’Ablong haar dichter naar zich toe en kuste haar. “Boos op jou, lieveling? In ’t geheel niet, hoor. Houd je nu maar heel, heel rustig vandaag. Beloof je me dat?”
“O ja mama; ik ben toch eigenlijk wel heel blij dat u het weet. Het is zoo’n heerlijke verlichting!”
Een week later waren mevrouw d’Ablong en Cécile vertrokken naar de drukke modebadplaats, die Cécile het meest aantrok en brak er voor Elsje een rustige, doch zeer eentonige tijd aan. Miss Piper was lief en vriendelijk voor haar en aanmerkingen maakte zij weinig, maar het was een mooie, warme zomer en Elsje kon de drukkende stadshitte en de benauwde atmosfeer in den tuin van haar tante, nauwelijks verdragen. Miss Piper deed wat zij kon om het haar aangenaam te maken. Met groote hartelijkheid sprak zij met haar over den dood harer grootmoeder en met geduld hielp zij haar aan het handwerk, een reusachtig stuk tapisserie, waaraan mevrouw d’Ablong wenschte dat Elsje een gedeelte van haar vrijen tijd zou wijden. Het was gewoonlijk te warm om ’s middags uit te gaan en den eenen dag na den anderen zaten zij samen op het bordes, dat aan de zaal grensde en op den tuin uitzag. Elsje’s oogen werden moe van het kijken naar het helwitte zonnescherm, dat boven haar hoofd gespannen was en de kleine tuin met de keurig aangelegde perken vol vuurroode geraniums en lichtrose maandroosjes, begon zijn bekoorlijkheid voor haar te verliezen, toen de langdurige droogte de paden stoffig en hard had gemaakt en de bladeren der struiken er bestoven en vaal begonnen uit te zien.
Bezoek kwam er, nu Cécile en haar moeder van huis waren, heel weinig en buitendien waren vele families ook op reis of naar buiten, zoodat het er langs de grachten somber en doodsch uitzag met zooveel luiken voor de ramen en briefjes met “afwezig” op de deuren. Op hare dagelijksche ochtendwandelingen met Miss Piper naar het park, had Elsje dikwijls een gevoel alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die vroolijk en vol levenslust iederen dag begon, toen zij bij hare grootmoeder woonde, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die grappen maakte met Krelis en de meisjes van het dorp en voor wie tot nu toe het leven een bron van rein genot was geweest. Het was ook juist, alsof zij opeens veel ouder geworden was—soms kon zij ’s ochtends opstaan met zulk een overweldigend gevoel van gedruktheid, dat het haar bijna angstig maakte en zij al hare krachten moest inspannen om vriendelijk en geduldig te zijn tegen Miss Piper. Dan werd ze soms boos op zichzelf, verweet zich dat zij schandelijk ondankbaar was bij al het goede, dat haar tegenwoordig leven toch ook had en werd dan weer overmand door een hartstochtelijk verlangen naar haar grootmoeder, door een vurig snakken ook naar één dag, één uur in de stilte en de schoonheid der natuur. Zij was zoo stil in het bijzijn der gouvernante en ging er zoo bleek en teer uitzien dat Miss Piper zich ongerust over haar begon te maken en eindelijk besloot mevrouw d’Ablong over haar te schrijven. Het liep reeds tegen September, maar er moest toch nog bijna een maand verloopen eer Cécile en haar moeder van de badplaats terug zouden komen; het zou dus nog vrij lang duren, eer Elsje’s tante haar weerzag.
Op een drukkend warmen ochtend, terwijl Elsje bleek en met een vreemde lusteloosheid, die zij vroeger nooit had gekend, tegenover de gouvernante op het bordes zat te handwerken, haalde deze haar schrijfgereedschap te voorschijn. Zij was juist een brief aan mevrouw d’Ablong begonnen, toen de deur der zaal plotseling werd geopend, een vlugge stap door de kamer klonk en Frits d’Ablong op het bordes verscheen. Hij zag er bizonder opgewekt uit en zijn gezicht was bruingebrand door de zon, maar hij keek terstond heel ernstig, toen hij Elsje’s bleeke gezichtje zag en haar scherp onderzoekend aanziende, vroeg hij vriendelijk:
“Hoe is het, Roodkapje? Nog niet heelemaal weer beter?”
Nu zag Elsje niet bleek meer. Een donkere blos verspreidde zich over haar wangen en voorhoofd en hare lippen begonnen te beven, toen zij trachtte te antwoorden. Tot haar ontsteltenis kon zij niet anders uitbrengen dan: “Ik.... ik ben....” en begon toen opeens bitter te schreien.
“Het is niets.... niets.... het is erg flauw,” snikte ze, boos op zichzelf en erg verlegen. Wat moest Frits wel van haar denken en wat had zij nu toch weer? Zij had werkelijk in het huis harer tante al veel meer tranen vergoten in dien korten tijd dat zij er woonde, dan in al de jaren van haar vroeger leven.
Vol schaamte wendde zij het hoofd af en wilde opstaan om zachtjes heen te gaan, maar Frits hield haar tegen met de woorden:
“Ik zie wel dat je nog lang niet beter bent. Kom, kom, wees maar bedaard. Je moet eens naar buiten, dat zal je goed doen. Het is hier ook zoo benauwd in de stad. Wat zegt u, Miss Piper, heeft zij de buitenlucht niet dringend noodig?”
De gouvernante knikte, ernstig toestemmend.
“Grootmama heeft tot voor een paar dagen in de meening verkeerd dat Elsje met tante en Cécile meegegaan was,” hernam Frits, “en ik zelf ben op reis geweest. Wij dachten niet anders of je waart druk bezig je frissche roode wangen terug te krijgen in de versterkende zeelucht, Roodkapje,” ging hij lachend tot Elsje voort. “Een paar dagen geleden eerst hoorde grootmama door een brief van tante, dat jij met Missy thuis waart gebleven en daarom kom ik je nu uit haar naam vragen, of je lust hebt nu maar zoo gauw mogelijk bij ons buiten te komen en dan natuurlijk niet eerder dan met tante en Cilly weer naar stad te gaan. Wil je, of blijf je liever hier?”
Of zij wilde? Met een kreet van blijdschap en stralende oogen sprong zij op. “Als.... als ik mag, als tante het goed vindt,” stamelde zij.
“Ik ben juist een brief aan mevrouw d’Ablong begonnen,” zei Miss Piper met een geruststellend knikje, “zij vindt het zeker heel goed dat je gaat. Zal ik het haar vragen?”
“O ja, dolgraag.”
“Dus dat blijft dan afgesproken,” zei Frits, “ik ben blij dat je er lust in hebt. Grootmama verlangt erg je eens weer te zien. Wij kunnen dan samen reizen, want ik blijf een paar dagen hier in de stad. Zou je tegen overmorgen klaar kunnen zijn? Dan zal tante wel al geschreven hebben dat zij het uitstekend vindt, dat je bij ons komt.”
“O ja, ik kan best klaar, mijnheer,” zei Elsje, die een gevoel had, dat zij eigenlijk op dit oogenblik al klaar was om op reis te gaan.
”Mijnheer! Wat beteekent dat nu, Roodkapje? Weet je wel dat je me beleedigt, als je me niet eenvoudig Frits noemt, evenals Cilly? Ik zal jou mademoiselle Roodkapje moeten gaan noemen, als jij mijnheer tegen mij zegt! Mag ik vragen, hoe oud u zijt, mejuffrouw?”
“Ik ben pas vijftien geworden,” antwoordde Elsje lachend.
“En ik pas twee-en-twintig,” zei Frits. “Ja, dan moet je toch wel een beetje eerbied voor me hebben! Je zoudt me wel ‘oom’ kunnen noemen als we samen reizen, maar ik heb toch liever dat je Frits zegt. En wat gaat u dan doen, Miss Piper, als Roodkapje u verlaat?”
“Dan hoop ik reeds nu mijn vacantie te beginnen en naar Engeland te gaan.”
“Dus dan komt alles mooi in orde,” zei Frits. “Dan zal ik de dames nu maar verlaten, dan kom ik morgenavond nog wel even hooren of ik het genoegen zal hebben, overmorgen Roodkapje mee naar grootmama te nemen. Dag Missy, dag Roodkapje.”
“Ik heet eigenlijk Elsje,” zei ze met haar ouden, vroolijken lach.
“Ja, dat weet ik wel, maar ik heb je als Roodkapje leeren kennen en zoo heet je dus bij mij. Kom, laat mij maar eens netjes even uit, dat doet Cilly ook altijd.”
Elsje gehoorzaamde lachend. Bij de voordeur reikte Frits haar nog eens de hand en zei: “Nu, dag Roodkapje. Ik zal straks aan grootmama schrijven hoor, dat je hoogstwaarschijnlijk komt.”
“Dag mijn.... Frits,” zei Elsje verlegen.
“Zóó! Dat klinkt al heel hartelijk,” plaagde hij haar met een ondeugende flikkering in zijn oogen, maar Elsje overwon hare verlegenheid, gaf hem met een spottend gezicht een deftige, kleine hoofdbuiging tot afscheid en deed de voordeur dicht.
Toen verdween al hare deftigheid terstond. Vlug als de wind snelde zij de gang door, de zaal in en het bordes op, sloeg onstuimig de armen om Miss Piper’s hals, drukte zich tegen haar aan en riep uit:
“O Missy, Missy, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij. O, hoe heerlijk, hoe heerlijk!”
En Miss Piper legde de pen neer, schoof den brief van zich af, trok Elsje dichter naar zich toe en liefkoosde en kuste haar, al maar zachtjes mompelend: ”Dear little Elsie! Poor darling! I am glad too, my pet!”
Het was Elsje alsof haar adem stilstond, toen Miss Piper den volgenden dag den brief van mevrouw d’Ablong opende, die het antwoord bevatte op de gewichtige vraag. Gelukkig liet Missy haar niet lang in onzekerheid. Elsje’s tante schreef dat zij er niet tegen was dat haar nichtje reeds nu naar grootmama vertrok, maar dat Elsje dan vooral erg haar best moest doen zich ladylike te gedragen en niet te uitgelaten en te druk te zijn. Miss Piper kon dan naar Engeland vertrekken en Cécile en zijzelf hoopten over een week of drie ook bij grootmama te komen.
Twee dagen later, ’s middags om twee uur, reed Elsje, in gezelschap van Frits, naar het station. Het was haar bijna alsof zij droomde, toen hij haar verzekerde dat zij nog vóór vijven bij grootmama buiten zouden zijn en zij keek zegevierend naar de stoffige, warme straten en grachten, die zij langs reden—het was zoo’n heerlijke gedachte dat zij die nu in weken niet zien zou! Maar bij al haar blijdschap dacht zij toch telkens aan de waarschuwing harer tante om zich vooral te gedragen als een jonge dame en toen Frits haar in den coupé had geholpen en tegenover haar ging zitten, moest hij er om lachen dat zij zulk een deftig air aannam en hem met zulk een zachte stem antwoordde op zijn vraag, of zij gemakkelijk zat en of de zon haar niet hinderde. Er waren nog twee meisjes van Elsje’s leeftijd in den trein. Zij reisden met hare moeder en het duurde niet lang of Frits had een gesprek met deze aangeknoopt. Langzamerhand geraakten de drie meisjes ook met elkaar aan het praten en spoedig klonk er telkens een luid en frisch gelach, als Frits een grappig verhaal deed of Elsje plaagde. Hij had er plezier in haar aan den gang te brengen en aardige, gevatte antwoorden uit te lokken op zijn plagerijen en in een bizonder vroolijke stemming namen zij eindelijk afscheid van hun reisgezelschap en verlieten den trein bij een schilderachtig gelegen klein station, dat Elsje levendig herinnerde aan dat van het dorp, waar zij gewoond had.
“Kijk eens, daar wacht Jacob al op ons,” zei Frits, op een ouden koetsier wijzend, die op den bok van een kleinen panier gezeten, uitkeek naar de logés van zijn meesteres. Hij groette beleefd toen hij Frits en Elsje bemerkte en even later zaten zij in het sierlijke rijuigje. De aardige, jonge paardjes zetten zich vlug in beweging en voort ging het den straatweg over, het dorpje door en eindelijk door een prachtige beukenlaan op de bevallige villa toe, die door de oude mevrouw d’Ablong werd bewoond.
Het was een ritje van een half uur ongeveer, maar in dien korten tijd genoot Elsje al zooveel, als had zij uren gereden door de bekoorlijke streek. Haar spraakzaamheid van zooeven was geheel verdwenen, maar al bracht zij het niet onder woorden, Frits zag wel aan de glinsterende oogen, waarmee zij om zich heen keek en aan de uitdrukking van vredig geluk op haar gezicht, hoe zij genoot. Nu en dan haalde zij diep adem en eens zelfs hoorde hij haar zacht neuriën bij zichzelf op een wijze, alsof zij er zich nauwelijks van bewust was dat zij dit deed. Toen het rijtuigje voor het hek der villa stilstond en zij grootmama onder de veranda zag staan, ontwaakte zij uit haar mijmering en sprong zoo vlug uit den panier dat Frits uitriep: “Neen maar, wat een haast heb je, Roodkapje!”
Ja, zij had haast. Toen zij het lieve gezicht der oude dame zag, sprong haar hart op van vreugde en was al hare kalmte weg.
“O grootmama, lieve grootmama!” zei ze, toen deze haar hartelijk welkom heette en kuste.
“Ik ben er ook nog, grootmoedertje,” zei Frits naderbij komend. “Roodkapje was er wel toe over te halen om nu al bij u te komen, zooals u ziet, maar u moet haar niet al te veel verwennen, want dan wordt ze brutaal.”
“Brutaal?” Elsje keerde zich snel om en herinnerde zich met schrik de waarschuwingen harer tante. “Dat ben ik toch niet geweest?” vroeg ze.
“Wel neen, hoe heb ik het nu met je? Ik dacht juist dat je zoo goed tegen plagen kondt,” antwoordde Frits. “Zal ik maar naar mijn kamer gaan, grootmama, en u verder de zorg voor deze jonge dame over laten?”
“Ja, dat is best. Ga jij dan maar met mij mee, kind, dan zal ik je je slaapkamer wijzen. Vindt je het hier niet mooi?”
“Prachtig mooi!” zei Elsje op bijna eerbiedigen toon, terwijl ze bewonderend keek naar het lieflijke uitzicht, dat men van uit de veranda had naar alle kanten heen. Het huis lag aan den lommerrijken straatweg, vlak tegenover de oprijlaan van een groot, ouderwetsch kasteel, waarvan de puntige torentjes en hoekvensters tusschen het donkere groen der linden te voorschijn kwamen. Aan den rechterkant leidde een dennenlaan naar het heuvelachtige bosch en de heide en aan den linkerkant lagen, tusschen het bouwland verspreid, enkele boerderijen.
De oude dame liet Elsje stil genieten, terwijl deze met genot overal rond keek en de geurige dennenlucht inademde. Grootmama zag met deernis hoe teer en bleek zij er uitzag en nam zich vast voor alles te doen, wat zij kon om haar verblijf hier gelukkig te maken.
“Kom kindje, nu moet je je goed eens gaan afdoen en je eens wasschen. Wij eten om half zes, dus je hebt nog net den tijd om een beetje uit te rusten. Wil je me maar volgen?”
Zij gingen door de openstaande glazen deuren naar binnen en toen de gang door naar boven naar een groot portaal, waarop verscheidene deuren uitkwamen.
“Je ziet, ik heb plaats voor vele logés,” zei de oude dame, “maar op ’t oogenblik zijn alleen de kamers van Frits en mij bezet en die van jou. Ik dacht dat je het wel prettig zoudt vinden, als er geen vreemden waren.”
“O ja,” antwoordde Elsje met haar geheele hart, terwijl ze hare gastvrouw volgde naar een vrij groote kamer, die eenvoudig gemeubileerd was, maar er toch bizonder aantrekkelijk uitzag. Er stonden twee ledikanten, een waschtafel voor twee personen, een met neteldoek gedrapeerde toilettafel en eenige stoelen, terwijl de vensters van buiten met klimrozen waren begroeid. Voor de ramen hingen neteldoeksche gordijnen en het viel Elsje op, dat een daarvan vreemd bol uitstond van onderen, alsof men er iets achter had gezet. Zij had geen tijd te onderzoeken wat dit was, want plotseling klonk de muziek van een reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek, het gordijn werd met een ruk terzijde geschoven en ... kleine Liesje van Rensen stond voor haar.

“Plotseling klonk de muziek van een reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek....”
“Dàt dacht je niet, he?” riep ze, snel naar Elsje toeloopend, die met een kreet van blijdschap bij haar neerknielde en toen dankbaar opzag naar grootmama.
“Kleine Liesje had de buitenlucht ook noodig, moet je weten,” zei deze lachend. “En hare ouders vonden haar nog te jong om met de geheele familie mee op reis te gaan. Daarom is ze toen maar bij mij gekomen. Ze zou eerst pas de volgende week...”
“Ja, ik zou eerst veel later gaan,” viel Liesje ijverig in, “maar toen kwam er opeens een brief of ik gisteren al kon komen!”
“Ik vond het een aardige verrassing voor je haar hier te vinden,” zei de oude dame, terwijl ze zachtjes hare hand over Elsje’s haar streek.
Elsje’s hart was zoo vol, dat zij niets anders doen kon dan grootmama’s hand grijpen en die stevig drukken.
Liesje was natuurlijk opgetogen en bleef steeds zoo dicht mogelijk bij Elsje. Aan tafel moest zij naast haar zitten, na den eten was zij er niet af te brengen te helpen bij het uitpakken van den koffer en zij vond het heerlijk, toen Elsje later terstond beslist den wensch uitte om Liesje zelf iederen avond naar bed te brengen. Toen het kleine meisje eindelijk onder de dekens lag, na hare beide armen om Elsje’s hals te hebben geslagen en na haar met een “nacht snoes!” een nachtkus te hebben gegeven, dronk Elsje heerlijk rustig thee onder de veranda met de oude mevrouw d’Ablong en Frits, en ging de avond voorbij onder gezellige, vroolijke gesprekken. Noch grootmama noch Frits schenen iets aan te merken te hebben op Elsje’s manieren of op hare wijze van zich uit te drukken en toen ze later alleen op hare kamer was, vroeg zij zich verwonderd af, hoe het kwam dat zij zich hier in huis zoo bizonder op haar gemak voelde. Met een zucht van geluk legde zij zich ter ruste en toen de oude dame nog even naar haar kwam kijken, deed zij als Liesje, sloeg de armen om grootmama’s hals en fluisterde:
“Wat houd ik toch veel van u en wat is het heerlijk weer bij u te zijn!”
En nu volgden er dagen voor Elsje, die zij haar geheele leven niet weer zou vergeten, dagen van rein genot, waarin de vrede en blijmoedigheid terugkeerden in haar hart. Bijna overweldigend was voor haar in het begin de aanblik van de prachtige natuur. “Nu moet je maar eens alleen een eind gaan wandelen,” zei grootmama den eersten ochtend na het ontbijt. “Neen, Liesje blijft van morgen bij mij—je bent nu mijn patiëntje en ik reken er op dat je me stipt zult gehoorzamen. Tegen koffietijd kan Liesje je dan wel hier in de dennenlaan tegemoet komen. Ga dien kant maar eens uit, je zult het daar heel mooi vinden.”
Elsje gehoorzaamde met een lachend gezicht en liep langzaam de dennenlaan in op zij van het huis. Het was er zoo heerlijk stil en mooi en het rook er zoo lekker! Met innig welbehagen ademde ze de verkwikkende lucht in en wandelde voort, terwijl de grond hoe langer hoe heuvelachtiger werd en zij soms even stil moest staan om adem te scheppen. “Wat ben ik gek gauw moe,” dacht ze. Toen ze bij grootmoeder was, kon ze uren achtereen loopen, zonder iets te voelen en nu was ze nog geen half uurtje van huis, of ze kreeg al lust om eens even te gaan zitten. Maar nu al rusten, dat was toch al te erg, vond ze. Neen, ze zou nog doorloopen tot aan dien hoogen heuvel, daar op zij van den weg. Dien moest zij even beklimmen, men had daar zeker een prachtig uitzicht; ze kon daar dan wel een poosje gaan zitten. Ze hijgde wel wat, terwijl ze haar voornemen ten uitvoer bracht, maar zij gaf den moed niet op en toen ze bovenop den heuvel gekomen was, hoe werd hare moeite toen beloond!
Plotseling stond ze voor een groot heideveld, waarover de zon vol scheen en aan de purperkleurige bloesems van het heidekruid een schitterenden glans verleende. Als een glinsterend, reusachtig tapijt, vol gloed en kleuren strekte zich de heide uit, terwijl tusschen den overvloed van bloeiende Erica, enkele blauwe klokjes groeiden, waarvan de teere stengels zachtjes door den morgenwind heen en weer werden bewogen. Een zoete welriekende geur steeg uit het kruid op en een oogenblik was het Elsje, terwijl ze dien inademde, als stond ze weer bij de heide in de buurt van het huisje van hare grootmoeder. Het scheen haar alles zoo bekend, zoo heerlijk bekend, hier voelde ze zich thuis, zoo geheel en al! 0, God was goed, zoo goed voor haar, dat Hij haar dit liet genieten! Even stond ze doodstil en ernstig op te kijken naar de rein-blauwe lucht—toen, als overweldigd door een gevoel van onuitsprekelijke, hartstochtelijke vreugde, wierp zij zich languit voorover op de heide en greep liefkoozend met beide handen in het taaie, veerkrachtige kruid. Zoo bleef ze liggen, met wellust de heidelucht opsnuivend en zich geheel overgevend aan een gewaarwording van groot, oneindig genot. Eindelijk hief zij het hoofd op, plantte hare beide ellebogen in den grond en keek gretig voor zich uit. Het zachte gegons der bijen, het fluisteren van den wind door de dennen naast haar, het rinkelen van de belletjes van een huifkar heel in de verte, was al wat de stilte verbrak. Recht vóór haar, in de diepte, zag ze het dorp liggen, met de roode daken der huisjes aardig afstekend tegen het groen der hoornen en aan hare linkerhand vertoonde zich een glooiende heuvelenrij, gelijk aan die, welke zij zooeven had beklommen. En terwijl ze daar lag, werd het zeer rustig en vredig in haar en kwamen haar de welbekende woorden in de gedachten:
“Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen zal.”
Hoe lang ze zoo bleef liggen, met al haar hart genietend, zou ze niet hebben kunnen zeggen, maar ze schrikte op, toen ze plotseling het zachte stemmetje van Liesje aan haar oor hoorde fluisteren:
“Slaap je? Waarom blijf je daar zoo stil liggen?”
“Zoo zoo, jonge dame, hebben wij het ons zo gemakkelijk mogelijk gemaakt?” klonk de stem van Frits toen. “Gelukkig dat wij je eindelijk gevonden hebben; dat is me een zoeken geweest, he Liesje?”
Verlegen sprong Elsje op. Dat Frits haar daar zoo had moeten zien liggen! Wie weet, hoe ontzettend weinig jongedamesachtig hij hare houding gevonden had! Als tante het hoorde....
“Ik ... ik vond het zo heerlijk hier!” zei ze. “Ik wist niet ... ik dacht ... het spijt me erg dat ik niet wat netter zat.”
“Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?” En Frits lachte hartelijk. “Wie zit er nu ooit ‘netjes’ op de heide! En ik vond je houding juist zoo schilderachtig! Neen, kijk maar niet zoo verschrikt; ik meen het, hoor. Het was alleen een beetje moeielijk je te vinden, maar Liesje heeft me dapper geholpen bij het zoeken. Je zult wel trek hebben na je vermoeienden tocht, he?” En hij keek haar plagend aan. Elsje lachte vroolijk.
“Ik houd zooveel van de heide,” zei ze. “Toen ik nog bij grootmoeder woonde ging ik er zoo dikwijls heen.”
“Ja, de heide is prachtig,” zei Frits. “Kom, zullen we nu naar huis gaan? Ja Liesje, blijf jij maar naast Elsje loopen aan dien kant, dan ontsnapt ze ons niet weer. Waar heb je vroeger gewoond, Elsje?”
Elsje vertelde het hem en Frits toonde zooveel belangstelling in haar vroeger leven, dat zij er over doorpraatte tot zij de villa hadden bereikt.
“Wel kindje, je begint er al wat beter uit te zien,” zei grootmama. “Was het mooi buiten?”
“Zij heeft er niet veel van gezien. Ze heeft een dutje gedaan op de heide” zei Frits.
“0 neen, heelemaal niet!” riep Elsje verontwaardigd uit. “Ik heb maar al liggen kijken naar alles—het was er zoo prachtig!”
“Je hebt heerlijk gedroomd,” spotte Frits weer en toen Elsje hevig ontkennend het hoofd schudde, legde grootmama de hand op haar arm en zei vriendelijk:
“Laat hem maar praten, kind; ik geloof heelemaal niet dat je geslapen hebt.”
Giới thiệu
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Bình luận
Hãy là người đầu tiên bình luận
Chưa có bình luận nào về nội dung này. Hãy bắt đầu cuộc trò chuyện!






