Elsje - Sách nói Miễn phí
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk XI. Evert Jacob Ferdinand Mors.
Hoofdstuk XI.
Evert Jacob Ferdinand Mors.
Elsje’s herstel kwam langzaam maar zeker en toen het tegen Mei liep en het voorjaar in het land was, keerde haar gezondheid geheel terug en begon ze zich met den dag sterker te voelen.
“Je zult nu spoedig weer geheel de oude zijn,” zei de dokter, maar “geheel de oude” zou Elsje, naar hare eigene meening, nooit weer worden. Zij miste hare grootmoeder zoozeer en de gedachte dat het gelukkige, zonnige leven met haar nooit terug zou keeren, de gedachte dat alles zóó anders was geworden, dat ze zulk een geheel andere toekomst te gemoet ging dan zij zich ooit had voorgesteld, dat zij haar lief, gelukkig thuis voor goed had verloren en dat het nu haar plicht was, zich in het deftige, groote huis harer tante op haar plaats te gaan voelen en zich door deze te laten vormen en kneden, tot ze eindelijk op den naam van “jonge dame” aanspraak zou kunnen maken—dat alles drukte haar soms zoo, dat ze zich met zekeren schrik afvroeg, hoe het kwam, dat er zoo weinig dankbaarheid in haar hart was voor de zorgen, waarmede mevrouw d’Ablong haar omringde. Deze was, de eerste weken na den dood van Elsje’s grootmoeder, bizonder hartelijk voor haar geweest en ook nu nog behandelde zij haar vriendelijker dan ze gedaan had, toen Elsje haar logée was, maar ze kon toch nu en dan haar ongeduld en wrevel niet onderdrukken, als ze zag, hoe weinig Elsje nog vorderde in het aannemen van elegante manieren en meer aristocratische spraak en wijze van zich uit te drukken en hoe zij er geheel als een jong boerinnetje bleef uitzien.
“Hoor eens Elsje,” zei ze op zekeren dag, toen deze vroolijk geworden door een bezoek van kleine Liesje, die haar in geen enkel opzicht anders scheen te wenschen dan zij was en volgens hare zuster Loulou, “een allerdwaaste vereering voor Elsje had opgevat”—“hoor eens Elsje, ik moet nu toch eens even ernstig met je spreken. Kijk eens, ik wil je heel graag bij mij houden en ik hoop dat je je hier hoe langer hoe meer thuis zult gaan voelen, maar je bent nu verstandig en oud genoeg, dunkt me, om te begrijpen, dat je je nu anders moet gaan gedragen. Gelukkig was nu zooeven alleen die kleine Liesje er bij, toen je zoo ongemanierd hard lachte en daarbij je mond zoo ontzettend wijd opendeedt....”
“Dat doet ze alleen om te laten zien, dat ze mooie, witte tanden heeft,” zei Cécile, die in de kamer gekomen was, terwijl haar moeder Elsje toesprak.
“Och wat, dat is heelemaal niet waar!” zei Elsje driftig. ”Ik ben zoo akelig nuffig niet als jij!”
“Ga liever naar je kamer Cilly, snoesje,” zei mevrouw d’Ablong bedaard. “Elsje weet op ’t oogenblik niet goed wat zij zegt. Het spijt me heel erg te hooren, dat zij haar jaloezie nog altijd niet overwonnen heeft.”
“Och tante, ik ben heelemaal niet jaloersch op Cécile,” zei Elsje, die zichzelf werkelijk weinig in bedwang had thans, opgeschrikt als zij was uit hare vroolijke stemming door de onverwachte strafpredikatie harer tante. “Ik ben juist heel blij dat....”
“Zwijg Elsje,” viel mevrouw d’Ablong in. “Kom Cilly, ga nu liever heen.”
“O ja mama, met plezier,” antwoordde Cécile spottend. Ze keerde zich om, om de kamer uit te gaan, toen ze zich weer scheen te bedenken en naar hare moeder terugliep.
“Mama,” zei ze zacht, terwijl ze mevrouw d’Ablong met hare donkere oogen smeekend aanzag, “zult u het u nu heusch niet te veel aantrekken? Ik vind het zoo naar dat u zooveel moeite hebt met Lizzie en dat ze u zooveel verdriet doet.”
Ze had niet zoo fluisterend gesproken of Elsje had verstaan, wat zij zeide. Ze beet zich op de lippen, wendde het hoofd af en keek met een brandend gevoel in hare oogen den tuin in. Schreien wilde zij nu niet, dàt zou Cécile er niet van hebben, maar o, wat vond zij haar naar, naar—en wat zou ze haar graag eens flink door elkander hebben geschud en haar gezegd hebben dat ze nooit, nooit op haar hoopte te gelijken, in niets!
“Kindlief,” zei mevrouw d’Ablong, Cécile naar zich toetrekkend, “zóó erg is het niet. Elsje meent het veel beter dan ze nu toont, daarvan ben ik overtuigd. Maak je daarover nu maar niet bezwaard, lieveling. Je ziet heusch wat bleek, snoesje, je moet bepaald van den zomer weer eens naar zee. Wat is er toch, Cilly, je voelt je toch immers heel wel?”
“Ja mother dear, ik ben alleen maar een klein beetje zenuwachtig; ik vind het zóó naar voor u.”
“Maar kindje, dat moet je je nu heusch zoo niet aantrekken. Alles zal langzamerhand wel beter gaan. Maar ik vind het toch heel lief van je, om zoo voor mij te voelen. Ga nu gauw naar je kamer. Keetje zal je een kop bouillon brengen straks. Laat Miss Piper bij je gaan zitten en ga dan even op je rustbank liggen.”
Cécile ging nu werkelijk heen en geduldig luisterde Elsje verder naar de terechtwijzingen en raadgevingen harer tante, die bizonder veel woorden schenen te vereischen. “Ik heb er over gedacht,” eindigde ze, “om je naar een kostschool te sturen, maar ik heb hiervan afgezien, omdat je je daar waarschijnlijk zeer eenzaam voelen zoudt en je bijna voortdurend zoudt moeten schamen, niet alleen over je slechte manieren, maar ook omdat je nog maar zoo heel weinig geleerd hebt en natuurlijk geheel van voren af aan zoudt moeten beginnen met de talen enz. Van ’t najaar zullen we dus een aanvang maken met je goede privaatlessen te laten geven—voor je gezondheid is het beter dat we nu nog wat wachten. Je kunt je nu wel vast wat oefenen in het Engelsch met Miss Piper. Over een poosje zullen Cécile en ik wel naar een of andere badplaats moeten en ik weet nog niet of we jou dan mee zullen nemen of niet. Dat hangt ook van je gedrag af. In ieder geval zal ik er voor zorgen dat je ook nog eens buiten komt van den zomer. Dat zal je goed doen, denk ik, maar ik verwacht dan ook stellig van je dat je veel meer je best zult doen dan tot nu toe gebeurd is, om te zijn en je te gedragen zooals ik dat wil en zooals het ook behoort. Het spijt mij heel, heel erg dat je het nog altijd niet schijnt te kunnen verdragen dat Cécile in alles je meerdere is. Het spreekt van zelf dat zij dat is en dat ze dat blijven zal ook, maar je kunt toch heel goed probeeren om haar na te volgen wat hare manieren en houding en alles betreft. Ik zeg je nu nog eens beslist dat ik verkies dat je je vriendelijk tegenover haar gedraagt en ik raad je sterk aan met alle macht tegen je jaloezie te strijden. Cilly kan het niet helpen dat zij mooi is en dat jij niet op haar lijkt.”
Elsje antwoordde niet, maar zij voelde zich diep gekrenkt. Alsof zij er ooit aan gedacht had om jaloersch op Cécile te zijn en dáárom!
Met een zucht verliet ze de kamer, toen hare tante haar daartoe verlof gegeven had. Voor de zooveelste maal nam ze zich voor nog meer haar best te doen om het mevrouw d’Ablong naar den zin te maken en een beetje van Cécile te gaan houden. Maar het was zoo moeielijk en Cécile behandelde haar altijd zoo uit de hoogte en zoo onvriendelijk! O, zij kon niet van haar houden! Toen zij den vorigen dag op Cilly’s kamer gekomen was, om voor ’t eerst na den dood harer grootmoeder, de andere meisjes weer te spreken—waren Cato en Emma en zelfs Loulou vriendelijk voor haar geweest en hadden een paar hartelijke woorden tot haar gesproken over haar verlies, maar Cécile was al gauw over wat anders begonnen en een poosje later hadden de meisjes samen zitten te fluisteren en te giegelen, terwijl Elsje er stil en verlegen bij zat. Zij was toen eindelijk maar weg gegaan en naar haar eigen kamer geloopen, met een gevoel van verlatenheid en bitterheid in haar hart. Ja, ze was toen zoo boos geweest en zoo hevig ontevreden met haar lot, zoo vol haatdragendheid tegenover Cécile in haar hart—dat ze geschrikt was voor zichzelf en in wanhopige droefheid de handen gevouwen had en uitgeroepen: “Help mij toch, o Heer, ik word zoo slecht!” En zij had toen zoo naar hare grootmoeder verlangd, zoo vreeselijk, dat het haast niet uit te houden was geweest.
En nu vandaag—alweer die bittere uitval tegen hare tante! Wat moest zij beginnen?—Zij was heel, heel anders dan vroeger! Toen had ze zich zoo zelden ongelukkig gevoeld en o nooit, nooit zoo slecht, zoo bitter, zoo ontevreden met haar lot! Maar och, toen was haar leven ook blij en vriendelijk geweest, vol heldere, vroolijke zonnestraaltjes en eenvoudig, rein genot! En dan kwam daar opeens met bijna onweerstaanbaren drang, een snakkend verlangen in haar op naar buiten, naar een lange, frissche wandeling, zooals ze die vroeger zooveel had gedaan—alleen met de ruime, groote natuur om zich heen—alleen op de heide, alleen tusschen de dennen, den harsgeur met wellust opsnuivend—alleen op den vriendelijken, schilderachtigen straatweg, vanwaar zij het huisje harer grootmoeder reeds uit de verte kon zien liggen—alleen in de heerlijke, vrije, rijke natuur, ver verwijderd van alle menschelijke kleingeestigheid!
Iederen dag ging ze een eind wandelen met Miss Piper en Cécile. En zij zag de knoppen der boomen op de pleinen en langs de grachten zwellen en ze keek op naar de lucht, waarin het zachtwit der kleine wolken zoo fraai afstak bij het heldere blauw en ze zag den gouden gloed der zon op het oude, grijze steen van groote, statige gebouwen en op het dek der schepen in de gracht en in het tintelende, rimpelende water en op de bogen der bruggen en ze zag al de vroolijke drukte van het voorjaar in de bonte uitstallingen der kleedermagazijnen en in de elegante toiletjes der dames en kinderen in de parken en ze zag dat de stad mooi was in den lentetooi—maar het verkwikte haar niet; het was haar als kon zij er niet ruim en diep ademhalen—zij snakte naar de plechtige stilte en de reine, vroolijke lieflijkheid van het voorjaar buiten.
O, wat waren de straten stoffig en warm en wat was het vol en luidruchtig in het park, waar Cécile altijd zoo gaarne wandelde! Het wemelde er van rijtuigen en kinderwagens en bovenal van menschen—allen keurig gekleed, wandelend naast elkaar, netjes en deftig met parasols en elegante wandelstokken, of rijdend in fraaie equipages met livrei. Elsje drukte soms hare handen stijf tegen elkaar in de glacé handschoenen om zichzelf te dwingen, bedaard naast Miss Piper te blijven loopen.
Met een bijna woeste hartstochtelijkheid kwam er dan een verlangen over haar, om de nette, geëffende paden langs te hollen in vroolijk huppelenden draf en het park uit te loopen naar buiten, ver buiten de stad, naar de weide in het verschiet met de goudgele, glanzige dotterbloemen, waar het gegons der blijde insecten niet vermengd was met het geluid van schelle menschenstemmen. En o, om daar dan de pijnlijk knijpende, nauwe knoopjeslaarzen te mogen uittrekken, den breeden vilten hoed aan den arm te hangen, de fluweelen jurk uit te doen en met bloote armen in haar onderlijfje rond te loopen en adem te halen uit ruime borst in de heerlijke, geurige, reine lucht en dan neer te vallen op het fluweelzachte, groene gras, te liggen kijken naar de blauwe, blauwe lucht en met hare handen het frissche, malsche gras te voelen. Naar buiten, naar buiten!
En dan hoorde ze de vriendelijke stem van Miss Piper naast zich:
“Moe, Elsie? Wou je lijken te gaan huiswaarts? De lucht is te heet; het is te veel voor je.”
En dan knikte Elsje bevestigend. Ja, ze wou maar liever naar huis.
Soms dacht ze, of ze zich misschien nog zoo weinig in hare nieuwe omgeving op hare plaats voelde, omdat zij den omgang miste met menschen uit haar eigen stand. En eindelijk vermande ze zich, om aan hare tante te vragen, of ze het kruideniersgezin eens mocht gaan opzoeken. Ze had die vraag telkens uitgesteld omdat ze een voorgevoel had, dat mevrouw d’Ablong haar verzoek met een weigering zou beantwoorden en daarin had zij zich niet bedrogen. Alleen uitgaan mocht ze niet meer na den noodlottigen avond van het bal en dat hare tante er ooit uit zichzelf toe zou komen om met haar een bezoek te maken in den kruidenierswinkel, achtte zij hoogst onwaarschijnlijk. Toen zij met haar vraag voor den dag kwam, klonk het terstond zeer beslist: “O neen kind, daar zie ik volstrekt geen nut in. Die menschen zijn heel vriendelijk voor je geweest, dat is waar, maar ik vind het allerminst gewenscht dat je je verder met hen bemoeit en visitetjes bij hen gaat maken. Als het weer St. Nicolaas is, kunnen we er wel eens iets heensturen en er bij schrijven dat het van jou komt, maar familiariteiten met hen verlang ik in ’t geheel niet voor je. Ik ben al blij genoeg dat je nooit een lid van dat gezin tegenkomt op je middagwandeling met Miss Piper en als dat ooit gebeuren mocht....”
“Wij gaan altijd een heel anderen kant uit, nooit die straat door,” viel Elsje in.
“En dat is wel heel goed ook. Maar je moet iemand niet zoo onbeleefd in de rede vallen, Elsje, dat hoort zoo niet. En houd je armen toch niet zoo wijd van je lijf. Lieve tijd, kind, wat moet ik je dat dikwijls zeggen! Kom, ga nu maar naar Miss Piper. Ik hoor met genoegen dat je al een klein beetje begint te vorderen in het Engelsch. Gelukkig dat je tenminste niet dom bent.”
“En ik wil die aardige, lieve menschen dan toch nog eens zien en hun zeggen, hoe dankbaar ik hun ben voor hun vriendelijkheid op dien vreeselijken avond,” dacht Elsje, terwijl zij naar de leerkamer liep. “Ik zal hun dan meteen zeggen dat ik nooit weer mag komen, maar één keer moet ik er nog heen—dat kan tante onmogelijk verkeerd vinden.”
Het besluit was gauw genomen, maar hoe zou ze het ten uitvoer brengen? Dat ging veel gemakkelijker dan ze had durven hopen.
Op zekeren ochtend was mevrouw d’Ablong uitgegaan om een arm gezin te bezoeken, Miss Piper lag met hoofdpijn te bed en Cécile was den geheelen dag bij Loulou van Rensen om haar te helpen met het nummeren van voorwerpen voor een bazaar. Elsje was dus geheel aan haar lot overgelaten en, zooals ze met een zucht van tevredenheid bedacht, geheel vrij. Terstond kwam het denkbeeld bij haar op, dat dit nu een geschikte gelegenheid was om even uit te gaan en een paar oogenblikken, heel kort maar, in den kruidenierswinkel door te brengen. Haar geweten begon onrustig te kloppen bij de gedachte dat zij iets zou gaan doen dat hare tante hoogst waarschijnlijk af zou keuren, maar alweer troostte zij zich met de gedachte: “Als ik er heel even heenga om hen te bedanken en dan zeg dat ik nooit weerom mag komen, kan tante het zoo erg niet vinden,” en zonder zich langer te bedenken, zette zij haar hoed op, deed haar mantel om en ging heen. In de gang kwam ze Dina tegen, die haar verwonderd aankeek, maar Elsje vroeg haar met zoo’n grappig deftig air, of ze haar even uit wou laten en liep toen zoo bedaard en netjes de stoep af—ze begon in die dingen al aardig aan te leeren!—dat Dina tot de overtuiging kwam dat alles in orde was en met een lachje naar de keuken terugliep. “Ze wordt heusch al heelemaal een klein dametje,” dacht ze.
Spoedig had Elsje de drukke winkelstraat ingeslagen en vlug stapte ze voort, totdat ze vlak in de buurt van den kruidenierswinkel kwam. Toen vertraagde zij haar pas en eindelijk bleef ze aarzelend staan. Plotseling begon haar geweten weer te spreken. Eigenlijk mocht zij toch niet doen wat ze zoo vurig wenschte, eigenlijk had hare tante haar toch bepaald verboden naar hare vrienden toe te gaan—eigenlijk had zij toch maar stil thuis moeten blijven! Wacht, ze zou maar heel even den winkel voorbijgaan—alleen maar één enkel oogenblik naar binnen kijken. Dan zou ze weer bedaard naar huis terug gaan en nooit weer haar best doen met het kruideniersgezin in aanraking te komen. Langzaam liep ze den hoek om, het verboden terrein voorbij, toen zij eensklaps de deur van den winkel rinkelend hoorde opengaan en Everts blijde kinderstem hoorde roepen: “Elsje! Elsje! Moeder, moeder, daar is Elsje eindelijk!”
Nu was het gedaan met Elsje’s bedachtzaamheid. Zij bleef staan, liet zich door den verrukten Evert in den winkel trekken en stond weldra, met een van blijdschap stralend gezicht, voor haar vroegere gastvrouw.
“Dag Elsje,” zei deze op hartelijken toon, “dat is goed, dat we je eindelijk eens weerzien. En ben je hier nog altijd gelogeerd?”
“Neen,” zei Elsje, terwijl de blijde trek van haar gezicht verdween, “mijn grootmoeder is gestorven en nu blijf ik hier.”
“Och, wat is dat treurig; is je grootmoeder dood? Arm kind! En blijf je nu bij je tante?”
“Ja,” zei Elsje, bij de gedachte aan mevrouw d’Ablong weer onrustig wordend, “en ik kom u nu maar heel even bedanken dat u zoo goed en vriendelijk voor me geweest bent, toen op dien akeligen avond. Ik .... ik vergeet dat bepaald nooit, maar nu moet ik weer weg.”
“Weer weg! Nu al! En je bent er net! Kom, dat meen je niet en Evert heeft al zoo lang naar je verlangd.”
“Ja, maar ik moet toch heusch dadelijk weer naar huis. Ik bedank u nog hartelijk voor alles.”
“Nu ja, dat weet ik nu wel dat je heel dankbaar bent, maar ik vind het niet aardig, als je niet nog wat blijft. Kom Evert, haal maar eens even een stoel voor Elsje—wij kunnen niet naar binnen gaan, want mijn man is uit en ik kan den winkel niet alleen laten.”
Evert kwam hijgend en met een vuurroode kleur van inspanning met een stoel aansjouwen en met de woorden: “Dan blijf ik nog even,” ging Elsje zitten. En zonder zich een oogenblik te bedenken, vertelde ze nu wie zij was en waar zij gewoond had en hoe hare tante heette en hoe moeilijk zij het nog vond aan het stadsleven te wennen. Gevleid door de zeer groote belangstelling der kruideniersvrouw, die met een verbaasd gezicht naar haar luisterde, terwijl Evert steeds met grappige vragen tusschenbeide kwam, als hij niet begreep wat zij zeide, babbelde Elsje druk voort, totdat de schel der winkeldeur en het binnenkomen van een klant haar stoorden en zij opsprong met een: “Maar nu moet ik heusch terstond weg.”
“Dan breng ik je een eindje,” zei Evert zeer galant en deftig. “Moeder, mag dat? Mag ik even met Elsje mee?”
“Ja, maar dan een heel klein eindje hoor, niet verder dan tot de gracht, waar Elsje woont. En dan dadelijk weer thuis komen, anders wordt moeder ongerust.”
Evert vloog heen om zijn pet te halen en een oogenblik later trippelde hij, druk pratend, naast Elsje voort.
Tot haar blijdschap zag zij op de klok in den bekenden bloemenwinkel dat het eerst elf uur was. Hare tante zou dan zeker vooreerst nog niet thuiskomen—zoo heel veel haast behoefde ze dus eigenlijk niet te maken. Het was zoo aardig en gezellig om langzaam voort te drentelen met den aardigen, kleinen Evert naast zich, die haar zooveel te vertellen had! Wat zou het heerlijk zijn, als hare tante nog van besluit veranderde en haar toestond hare vrienden geregeld te bezoeken—al was het maar één keer in de maand bij voorbeeld. Over mevrouw d’Ablong en Cécile had zij heel weinig met de kruideniersvrouw gesproken—hare natuurlijke fijngevoeligheid had haar daarvan weerhouden. Ook had ze niet over haar lot geklaagd; dat zou zóó ondankbaar geweest zijn, vond ze. Och heden, daar waren zij al bij de gracht, dan moest ze Evert nu terugsturen en zelf ook weer naar huis gaan. Juist wilde zij haar vriendje goedendag zeggen, toen een grappig tooneeltje voor het smalle hoekhuis der stille gracht, haar aandacht trok.
Een steviggebouwde vischboer, klein van stuk, maar overigens stoer en forsch, met een rond, frischrood gezicht, levendige bruine oogen, die half listig, half schalksch keken, en geelblond haar, waarvan een lok van voren onder zijn pet uitkwam, stond, met zijn vischkar naast zich, druk over zijn koopwaar te onderhandelen met het dienstmeisje van het hoekhuis. Zij schenen het niet eens te kunnen worden over den prijs der “prachtige, springlevende” botjes, die de boer niet ophield met groote welsprekendheid aan te prijzen. Een slagersjongen met een mand op den rug en een paar straatjongens stonden met open monden te luisteren naar het levendige debat, zonder er zich ook maar een oogenblik in te mengen. Het zeer belangstellende, toeschouwende publiek werd thans nog vermeerderd door Elsje en den kleinen Evert.
“Geloof me, kindlief, ik kan ze je onmogelijk minder geven dan voor zestig cents,” begon de vischboer weer.
“Dat kan je begrijpen, vijf-en-veertig,” zei het dienstmeisje, “geen cent meer en dan zijn ze nog heel goed betaald ook!”
“Dat meen je niet! Ik zie aan je gezicht dat je het niet meent. Dat kan ik immers niet doen! Al stond de koningin daar nu in eigen persoon voor me...”
“Nu heel best dan,” viel het dienstmeisje snibbig in, “dan moet je het laten, maar houd me dan ook niet langer op,” en meteen maakte zij een beweging, alsof ze de voordeur wou sluiten.
“Nou, neem ze dan in vredesnaam maar,” zei de consequente vischboer met een zucht en met een gezicht, alsof hem het grootste onrecht werd aangedaan. “Ik kan nou eenmaal niet zoo van jou weggaan, daarvoor heb ik te veel hart voor je, maar anders, ’t is schande, schande.”
“Ja, praat jij maar toe,” lachte het dienstmeisje, “kom, maak ze maar gauw schoon. Ik heb wel wat anders te doen dan hier den heelen morgen naar jou te staan luisteren.”
Op dit oogenblik, terwijl Elsje en Evert met de grootste aandacht het gesprek volgden, kwam mevrouw d’Ablong, in gezelschap van mevrouw van Rensen, de gracht langs. De laatste zag Elsje het eerst.
“Vergis ik me, of is dat uw nichtje, die daar staat te kijken naar die onappetijtelijke vischkar?” vroeg ze aan haar buurvrouw.
“Wel neen, Elsje is thuis,” zei mevrouw d’Ablong, maar ze keek toch haastig naar de plek, waar de vischboer nog stond met zijn bewonderend gehoor om zich heen.
“Ja, ik geloof toch, dat zij het is,” zei ze snel. “Hoe durft ze! Ik begrijp niet....”
“Zij schijnt nog niet in alle opzichten een jonge dame te zijn,” zei mevrouw van Rensen met een spottend glimlachje. “Uw taak is niet gemakkelijk, lieve mevrouw.”
De arme mevrouw d’Ablong had juist met veel voldoening aan hare aristocratische kennis verteld, dat Elsje haar “dorpsmaniertjes” geheel begon kwijt te raken!
“Ik neem hier nu maar afscheid van u,” begon mevrouw van Rensen weer, terwijl zij staan bleef en hare gezellin moeite deed kalm te blijven. Hoe kon Elsje nu toch ook zoo ongemanierd zijn! “Dag lieve mevrouw, zal ik Cilly maar hartelijk van u groeten? Loulou is steeds in één adoratie voor haar.”
Mevrouw d’Ablong nam haastig afscheid en liep toen vlug naar Elsje toe, die half met den rug naar haar toegekeerd stond. Zij keek verschrikt op, toen zij een hand op haar schouder voelde en een bekende stem aan haar oor hoorde zeggen:
“Wat doe jij hier? Ga terstond mee naar huis.”
“O ja tante,” stamelde Elsje, “ik .... ik was al op weg. Ik ... ben maar even uit geweest.”
Evert hield hare hand stijf vast en zag ernstig op naar de deftig gekleede dame, die zoo boos keek.
“Wat is dat voor een kind?” vroeg zij scherp.
“Ik heet Evert, Jacob, Ferdinand Mors,” zei het kereltje trotsch, “en Elsje zegt....”
“Nog eens, wie is dat kind?” viel mevrouw d’Ablong in, terwijl zij zich met Elsje en Evert van het vischtooneel verwijderde.
“Het is het zoontje van den kruidenier,” zei Elsje bijna fluisterend.
“Dus je bent daar toch heen geweest, hoewel ik het je bepaald verboden had?” vroeg hare tante met ingehouden toorn.
“Ja,” antwoordde Elsje heel zacht.
“Waarom knijp je mijn hand zoo vreeselijk stijf?” vroeg Evert met een helder stemmetje. “Ben je bang voor die mevrouw?”
Elsje antwoordde niet. Het schreien stond haar nader dan het lachen.
“Ik wil nu maar liever naar huis,” zei Evert, hare hand loslatend.
“Wij zullen je wel even brengen, kind,” zei mevrouw d’Ablong opeens. “Wijs ons den weg maar.”
Tot Elsje’s verbazing sloegen zij de breede winkelstraat weer in. Mevrouw d’Ablong sprak geen woord meer en het was haar aan te zien dat zij haar best deed, bedaard te blijven. Zij keek in ’t geheel niet naar Elsje, maar strak voor zich uit. De kruidenierswinkel was spoedig bereikt. Evert duwde gedienstig de rinkelende winkeldeur open en vloog naar binnen, op zijn moeder toe.
“Wij hebben zoo’n plezier gehad,” zei hij, “en er was een vischkar met een vroolijken man en Elsje en ik...”
“U bent zeker de moeder van dit jongetje?” vroeg mevrouw d’Ablong beleefd, maar zeer uit de hoogte en zonder er aan te denken dat zij Evert in zijn verhaal stoorde.
“Jawel mevrouw,” antwoordde de kruideniersvrouw, terwijl ze met een verwonderden blik nu eens naar Elsje, dan naar mevrouw d’Ablong keek.
“Dan mag ik u nog wel eens vriendelijk dank zeggen voor uw gastvrijheid tegenover mijn nichtje,” zei Elsje’s tante, terwijl ze haar beurs uit den zak haalde, er een gouden tientje uitnam en dit op de toonbank legde. “Dit kan zeker wel voor den spaarpot van uw kleinen jongen dienen?”
“O ja, ja,” riep Evert verheugd. “Staat het koninginnetje erop, moeder?”
“Het spijt me dat Evert uw geschenk gezien heeft, mevrouw,” zei zijn moeder beleefd, “want ik zou het u liever weer teruggeven. Wij zijn niet vriendelijk voor Elsje geweest met het doel er geld voor te krijgen.”
“O neen, dat begrijp ik heel goed,” zei mevrouw d’Ablong haastig en vol verlangen om een eind te maken aan het onderhoud. “Maar u wilt het toch zeker wel aannemen voor den spaarpot van uw zoontje? Ik .... ik wou u ook nog even zeggen ... u begrijpt ... mijn nichtje leeft in zoo’n geheel andere omgeving.... Ik geloof dat het voor beide partijen aangenamer zal zijn, als zij u niet meer bezoekt.”
Elsje werd vuurrood en keek het raam uit. Zij kon de goede kruideniersvrouw niet langer aanzien.
“O! u bedoelt dat wij niet goed genoeg voor haar zijn? Niet deftig genoeg?” vroeg deze, met iets scherps in hare stem.
Mevrouw d’Ablong zweeg; het was geheel onnoodig deze vragen nog te beantwoorden. Die vrouw achter de toonbank had het heel juist uitgedrukt—dat was precies wat zij bedoelde.
“Het zou mij spijten, als ik u gekrenkt had,” zei ze eindelijk op vriendelijken toon. “Ik ben u werkelijk heel dankbaar voor uwe goedheid tegenover mijn nichtje en zijzelf is vol lof over uwe hartelijkheid. Maar....
“Jawel, jawel, ik begrijp u heel goed,” viel de kruideniersvrouw snel in, terwijl hare oogen schitterden van nog iets anders dan verontwaardiging. “Neem je geld terug, als ’t je blieft, mevrouw, wij hebben dat niet noodig. U zult wel gelijk hebben, het zal beter zijn dat Elsje niet meer hier komt.” En met driftige haast begon zij de theebussen en trommels op de planken aan den muur te verschikken.
Mevrouw d’Ablong wachtte even, kuchte en zei eindelijk:
“Dan zullen wij nu maar heengaan, juffrouw. Ik dank u nog zeer voor uwe vriendelijkheid jegens mijn nichtje.”
De kruideniersvrouw keerde zich snel om. “Ik geloof dat u iets vergeet, mevrouw,” zei ze, toen zij het geld nog op de toonbank zag liggen. Mevrouw d’Ablong deed precies alsof zij haar niet hoorde en liep den winkel uit. Elsje volgde langzaam. Met een bedroefd gezicht wendde zij zich nog even om, keek de kruideniersvrouw smeekend aan en fluisterde:
“Houd het als ’t je blieft voor Evert, och toe, als ’t je blieft. We zien elkaar toch nog wel eens weer, denk ik.”
En na den kleinen, zeer verbaasden Evert snel een kus gegeven te hebben en zijn moeder een treurig afscheidsknikje, haastte ze zich, zich bij hare tante te voegen.
Deze bleef zwijgend naast haar loopen en deed juist alsof Elsje niet bij haar was, totdat zij thuis waren gekomen. Toen opende zij terstond de deur der zijkamer, nam haar nichtje mee naar binnen, keek haar strak in de oogen en zei zeer beslist:
“Nu zeg ik je eens vooral Elsje, dat ik niet verkies, ja—dat ik je verbied, weer naar die menschen toe te gaan. Heb je me goed begrepen? Ik verbied het je ten strengste. En als ik ooit bemerk dat je mijn gebod overtreden hebt, zal ik je stellig straffen, heel stellig hoor. Begrijp je me goed?”
“Ja tante,” zei Elsje, die op dat oogenblik bepaald bang voor haar was.
“Goed. Dan zullen we de zaak nu hierbij laten rusten. Alleen heb ik je nog te zeggen dat ik er ook sterk tegen ben, dat je ’s ochtends alleen uitgaat—of op welken tijd van den dag dan ook. Pas op dat dat nooit weer gebeurt. Ik wil het eenvoudig niet meer hebben. Ik wist niet waar ik me bergen zou van schaamte, toen mevrouw van Rensen en ik je daar bij die rare vischkar zagen staan. Denk er aan dat je me gehoorzaamt, anders zal ik andere maatregelen moeten nemen en veel strenger voor je zijn. Je weet dus nu precies, waar je je aan te houden hebt?”
“Ja, tante, ja.”
Giới thiệu
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Bình luận
Hãy là người đầu tiên bình luận
Chưa có bình luận nào về nội dung này. Hãy bắt đầu cuộc trò chuyện!






