Elsje - Бесплатная аудиокнига
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk IX. Groot Verdriet.
Hoofdstuk IX.
Groot Verdriet.
Een half uur later stond Elsje met een bedrukt gezicht en rood beschreide oogen naast de goedhartige kruideniersvrouw op een klein, hoogst eenvoudig gemeubileerd zolderkamertje met een bedstee, waarvoor hardgele gordijnen hingen.
“Kijk,” zei haar gastvrouw, de gordijnen opentrekkend, “het bed is groot genoeg en ik heb er mooi, schoon linnen voor je opgelegd. Kom, wees nu maar niet meer bedroefd en ga maar gauw slapen. Wat zal de kleine Evert het aardig vinden je morgenochtend te zien! Denk er aan dat je de kaars uitblaast als je klaar bent en slaap lekker! Morgen zal alles wel weer in orde komen, daar ben ik niets bang voor. Nacht Elsje!”
Elsje sloeg met een plotselinge, hartstochtelijke beweging de armen om haar hals, legde haar kloppend hoofd tegen den schouder der goede vrouw en barstte weer in tranen uit.
“O, ik verlang zoo naar huis, naar grootmoeder!” snikte ze, in korte, afgebroken zinnen, “ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk hier in de stad—o, ik wou dat ik er nooit gekomen was, nooit! Ik .... ik wou dat ik maar weg was .... ik wou....”
“Stil, stil,” viel de vrouw haar sussend in de rede, “je moet nu niet meer schreien, wezenlijk niet. Je zult nog hoofdpijn krijgen en ziek worden, als je je zoo vreeselijk over stuur maakt. Kom, kom, kom, stil nu, stil nu.”
Zij maakte zich zacht los uit de omarming van het snikkende kind, schonk een glas water in, liet haar drinken en zei op beslisten toon:
“Nu moet je wezenlijk terstond naar bed gaan. Kijk, hier op dezen stoel ligt een nachtjak van mij voor je. Dat zal je wel een beetje te wijd wezen, maar dat is niets, beter te wijd dan te nauw. Kom, drink nog maar eens, zie zoo, nu bedaard het al een beetje, he? Nacht Elsje.”
En haar onverwachte gast nog eens vriendelijk toeknikkend, ging ze heen.
Toen Elsje alleen gelaten was, bleef ze voortschreien, eerst hartstochtelijk en met zenuwachtige snikken, toen zachter en bedaarder. Eindelijk was het alsof ze geen kracht meer had om langer te schreien, geen kracht om uiting te geven aan het gevoel van wanhopige smart, dat haar bezielde, geen kracht om iets anders te doen dan met doffe lijdelijkheid, gekleed als zij was, op het bed te gaan liggen en met starende oogen voor zich uit te zien. Langzamerhand echter kwam iets van haar ouden moed weer boven. “Zoo mag het niet langer,” fluisterde ze, terwijl ze zich van het bed liet afglijden. “Ik moet wezenlijk probeeren of ik wat kan slapen. Misschien .... misschien gebeurt er morgen iets, dat.... mij helpt.”
Zij trok de dunne rose jurk en hare dansschoentjes uit en besloot zich maar niet verder uit te kleeden en zoo in bed te gaan. Zij was veel te gejaagd, veel te veel onder den indruk van het half onbestemde denkbeeld dat zij het druk zou hebben morgen en vroeg klaar zou moeten zijn, om zich thans rustig te kunnen ontkleeden en bedaard te gaan slapen. Zij huiverde en rilde van koude en zenuwachtigheid en toen ze de kaars uitgeblazen had en was gaan liggen, scheen het haar een onmogelijkheid toe, dat zij in slaap zou komen. Haar hoofd begon te kloppen en te gloeien en met tergende duidelijkheid stonden haar nu eensklaps de bezwaren voor den geest, die aan haar terugreis op morgen zouden zijn verbonden. Ze had geen geld bij zich—hoe zou ze dan een kaartje kunnen betalen? Grootmoeder zou misschien, neen zeker, heel boos zijn, als ze zoo opeens voor haar stond, weggevlucht van hare tante. En tante zelf—die zou het haar zeker nooit, nooit vergeven, nog minder misschien dan het verliezen van het parelsnoer. En ze kon toch ook niet reizen in die dunne, lichte jurk, zonder hoed of iets! Maar misschien zou de kruideniersvrouw haar wel een of ander willen leenen—als zij ten minste iets had, dat haar paste. Ja, ja, die zou haar wel willen helpen, als ze kon. Maar mocht ze wel weggaan, zou hare tante zich niet erg ongerust maken waar zij toch was—morgenochtend aan het ontbijt zou men haar natuurlijk missen! O, wat moest ze beginnen, wat moest ze beginnen! Ze wist zich geen raad, heelemaal geen raad en onrustig woelde zij op het bed heen en weer, totdat eindelijk een weldadige slaap zich over haar ontfermde en haar tijdelijk rust gaf.
Intusschen was het bal bij mevrouw d’Ablong onafgebroken, met steeds toenemende levendigheid, voortgezet. Cécile was na de tooneelvoorstelling geheel en al de koningin van het feest geworden en hare moeder zag met fiere goedkeuring, hoe iedereen als om strijd haar dochtertje fêteerde. Zij bemerkte vrij spoedig dat Elsje zich uit de danszaal had verwijderd en hoewel zij haar die straf zelf niet zou hebben opgelegd, vond zij het niet kwaad dat Elsje toonde zich genoeg te schamen over haar gedrag op het tooneel, om maar liever niet meer mee te dansen. Ze zal naar hare kamer gegaan zijn, dacht mevrouw d’Ablong en ze vatte half en half het voornemen op, naar haar toe te gaan en haar na een ernstige terechtwijzing te vergunnen, zich weer bij de dansenden te voegen—maar werd in de uitvoering van dit plan telkens verhinderd door de gedachte dat Elsje zich misschien weer op een of andere manier “kinderachtig” zou gedragen en haar compromitteeren. Neen, het was wellicht maar beter dat het lastige kind boven bleef. Cécile had nu ook juist zoo heel veel plezier, dat zou misschien veranderen, als Elsje weer beneden kwam. Zij moest straks maar eens even naar haar gaan kijken en als zij dan wat al te bedroefd was, haar wat lekkers brengen—een portie ijs en een taartje—en zeggen dat zij in ’t vervolg maar wat beter haar best moest doen. Misschien had Cécile ten slotte toch gelijk gehad; het was niet verstandig geweest, Elsje tot het feest te laten blijven. Ze kon nu in de volgende week ook wel weer vertrekken. Hare tante zou haar dan zelf brengen en meteen eens zien, hoe de oude grootmoeder het maakte—de laatste berichten waren iets minder gunstig geweest.
Mevrouw d’Ablong haastte zich niet, Elsje op haar kamer te gaan toespreken. Frits had al een paar maal gevraagd of “Roodkapje” heusch naar bed gegaan was. Dat had zij nu niet moeten doen, beweerde hij; zóó erg was het toch niet dat zij nog niet gewend was om als actrice op te treden! Hij vond het jammer dat zij nu in ’t geheel niets aan de partij had. Kon hare tante haar niet laten zeggen of gaan zeggen dat ze wezenlijk weer beneden komen moest?
Mevrouw d’Ablong gaf op beide vragen een ontwijkend antwoord. Zij vond het niet noodig Frits op de hoogte te brengen omtrent de beweegredenen, die haar noopten, Elsje van de balzaal verwijderd te houden—Frits zag dat zij het onderwerp van Elsje’s afwezigheid liever verder onaangeroerd liet en sprak dus over wat anders. Later zocht hij nog eens of hij Elsje ook ergens in een verborgen hoekje zag zitten, maar toen al zijn pogingen vruchteloos bleven, gaf hij het op en kwam tot de overtuiging dat zij zich werkelijk voor goed op haar kamer had teruggetrokken. Cécile was blij dat Elsje “zoo verstandig” geweest was naar bed te gaan en Loulou en Cato waren het geheel met haar eens. Emma vond het jammer, maar zei niet veel en de overige gasten hadden nog te weinig van Elsje gemerkt, om zich erg over haar al of niet tegenwoordig zijn te bekommeren.
Er gingen dus twee, drie uren voorbij, voordat iemand bemerkte dat Elsje het huis harer tante had verlaten. Tweemaal was deze op het punt naar boven te gaan, maar telkens werd zij door een of ander in haar voornemen verhinderd en toen zij het eindelijk ten uitvoer bracht, was het laat en hadden de gasten reeds afscheid genomen. Het laatste rijtuig reed weg en Cécile liet zich met een zucht op een der canapés neervallen, volkomen bereid nog een praatje met Frits te houden voordat ze naar boven ging, toen hare moeder opeens met een verschrikt, bleek gezicht weer binnen kwam met het onrustbarende bericht dat Elsje niet op haar kamer was en noch Keetje, noch de andere dienstboden, noch grootmama en Miss Piper haar hadden gezien. Niemand begreep waar zij heengegaan kon zijn. Keetje en Dina waren bezig het geheele huis te doorzoeken, maar ook dit was vruchteloos, zooals bleek toen de beide dienstmeisjes in de danszaal verschenen.
“Zijn jullie overal geweest en heb je Anna ook ondervraagd?”
“Ja mevrouw,” zei Dina, “maar Anna is den geheelen avond in de keuken geweest, natuurlijk. Zij had de jongejuffrouw in ’t geheel niet gezien, zei ze.”
“Wat moet ik beginnen?” zei mevrouw d’Ablong zich tot Frits wendend, die angstig toegeluisterd had.
“Ik weet het waarlijk niet, tante,” zei hij. “Misschien zal het het beste zijn dat ik er terstond op uitga en eens zie of ze in haar droefheid over haar mislukt spel ook naar buiten geloopen en verdwaald is. Zij houdt zoo ontzettend veel van wandelen en in de lucht zijn en het is mogelijk dat ze op dezen mooien avond even de straat opgeloopen is....”
“Dan heeft ze al een heel raren tijd uitgekozen voor hare wandeling,” viel Cécile scherp in. “Kom mama, zij zal wel weer terug komen, ik zou mij nu maar niet dadelijk zoo ongerust maken. En wat behoeft Frits er nu ook terstond op uit te gaan, ze komt natuurlijk van zelf wel weer terug! Als ze wezenlijk zoo dwaas is geweest om te gaan wandelen en verdwaald is, zal een politieagent haar wel weer thuis brengen.”
“Neen, neen, neen! Ik heb geen rust, voordat ze veilig en wel weer hier is,” zei Frits. “Dat arme kind! Ik ga dadelijk mijn jas aantrekken, tante.”
“Och Frits, wees nu toch niet zoo onverstandig!” riep Cécile. “Ik vind het onzinnig, als je gaat!”
“Dat is niet anders,” antwoordde Frits snel. “Ik ga onmiddellijk. Als ik haar niet vind, zal ik dan de politie maar in den arm nemen, tante?”
“Ja, ja, zeker. Doe alles maar precies, zooals ’t jou het best dunkt. Je bent een heerlijke steun voor me, Frits; wat moest ik beginnen zonder jou van nacht?”
Frits hoorde de laatste woorden niet eens meer, hij was de kamer al uit en heel spoedig daarop het huis.
“Ga jij nu maar dadelijk naar bed, kindje,” zei mevrouw d’Ablong tot Cécile, die erg uit haar humeur was, “anders heb je morgen nog hoofdpijn. Je zult toch wel al moe zijn.”
“Ja mama, ik blijf natuurlijk niet op,” zei Cécile wrevelig, “ik zou niet weten waarvoor ik dat doen zou. Gaat u niet naar bed? Dat vervelende kind zal wel terug komen, daar zou ik me niet ongerust over maken.”
“Ik hoop het hartelijk,” zei hare moeder, “maar natuurlijk ben ik ongerust, Cilly, dat spreekt nu toch waarlijk van zelf. Ik wou dat ik Elsje hier maar nooit te logeeren had gevraagd.”
“Ja, dàt wou ik ook,” zei Cécile zeer beslist. “Toe mama, gaat u nu toch mee naar boven. Dina en Keetje en Anna desnoods ook, kunnen immers wel opblijven.”
“Neen, neen, ik ga niet naar bed, voordat ze er weer is. Loop vooral zachtjes voorbij grootmama’s kamer, Cilly. Zij was bijna in slaap, toen ik zooeven bij haar kwam en ik heb haar alleen maar gevraagd of Elsje ook bij haar geweest was. Zij weet niet dat zij weg is.”
“Dat is ten minste één geluk,” zeide Cécile. “En Missy?”
“Die zal mij wel gezelschap houden van nacht. Zij weet alles.”
“O, dus dan blijft u ten minste niet alleen, gelukkig. Nacht moedertje.”
“Nacht lieveling. Probeer je dan heusch om gauw in slaap te komen en je niet te angstig te maken over Elsje?”
“Ik ben heelemaal niet angstig, mama. Ik wou dat u het maar wat minder waart. O, daar is Missy! Ik hoop dat dat nare wachten niet te lang zal behoeven te duren.”
Maar het wachten duurde wèl lang. Cécile was reeds een paar uur vast in slaap, mevrouw d’Ablong had de dienstboden naar bed gestuurd en Miss Piper en zijzelf begonnen hoe langer hoe ongeduldiger en ongeruster te worden, toen Frits eindelijk terug kwam. Hij zag er moe en verslagen uit. Nergens had hij eenig spoor van de vluchteling kunnen ontdekken, alleen had een politieagent even over tienen een meisje in een lichte jurk de gracht langs zien snellen. Hij had haar de straat op den hoek zien inslaan, maar haar verder uit het oog verloren.
Het was verschrikkelijk. Mevrouw d’Ablong verloor geheel hare zelfbeheersching en snikte het uit, zichzelf de hevigste verwijten doende, dat zij niet eerder naar Elsje had omgezien. Frits en Miss Piper deden al wat zij konden om haar tot bedaren te brengen. De politie was van alles onderricht, verzekerde Frits en zou zeker het verloren schaap wel weer terug brengen—zij moesten niet zoo gauw den moed verliezen. Maar zijn stem beefde, terwijl hij dit zeide en de vreeselijkste vermoedens rezen bij hem op, als hij bedacht, hoe weinig Elsje den weg kende in de groote stad en hoe licht zij in het water geloopen of op een andere wijze verongelukt zou kunnen zijn. Telkens zag hij haar weer voor zich, zooals hij haar voor ’t eerst gezien had met het aardige, roode kapje om het frissche, jonge gezichtje en met de dankbare uitdrukking in de blauwe oogen. Ook hij verweet zich dat hij haar te veel aan haar lot had overgelaten na de tooneelvoorstelling en hoe hij ook zijn best deed hoopvol te blijven, zijn ongerustheid werd grooter, hoe meer het eene uur na het andere verliep, zonder dat de politie iets van zich liet hooren.
Mevrouw d’Ablong liet zich eindelijk overhalen, even op de canapé te gaan liggen en wat te rusten, toen de ochtend langzaam begon te naderen.
Zij waren op Cécile’s kamer gaan zitten, omdat het na het eerste half uur in de half ontredderde balzaal niet meer uit te houden was. Voortdurend herinnerd te worden aan al de luidruchtige vroolijkheid, die daar kort geleden had geheerscht en dan zoo beangst van hart te zijn, was niet te dragen. En de onzekerheid, die hen bleef kwellen, den geheelen nacht door, was ook nauwelijks te dragen;—toen de morgen aanbrak, kon zelfs Frits zijn ongerustheid niet meer verbergen.
Het was ongeveer zeven uur en nog zoowat schemerdonker, toen Elsje gewekt werd door een gebons tegen haar deur, dat door twee kleine, stevige vuisten werd veroorzaakt. “Elsje, Elsje, opstaan, opstaan!” riep Evert’s kinderstemmetje zoo luid, dat Elsje al heel vast zou hebben moeten slapen, als zij niet reeds door het vuistenbombardement wakker geworden was. Met een zucht richtte zij zich op. Een oogenblik keek ze verbaasd om zich heen, heel spoedig echter herinnerde ze zich waar ze was, waarom ze half gekleed te bed lag en hoe het kwam dat ze zich zoo moe en dof en ongelukkig voelde. Nog nooit was haar zoo sterk de neiging overvallen, om haar hoofd weer op het kussen te leggen en weer te gaan slapen—nog nooit was zij met zulk een treurig, moedeloos hart den dag begonnen. Haar frissche, jonge levenslust had haar tot nu toe hiervoor bewaard, ook al de dagen die zij reeds bij hare tante aan huis had doorgebracht, maar nu—nu was het alsof alle moed haar had begeven, nu scheen het haar toe dat op dit oogenblik niemand zoo ongelukkig, zoo verlaten, zoo hulpeloos was als zij.
“Ben je wakker?” riep Evert weer ongeduldig. “Je moet opstaan. Ik ben al bijna heelemaal klaar. Moeder zegt dat je op moet staan.”
Hij luisterde een seconde, of zij ook antwoordde, toen riep hij weer:
“Mag ik even bij je komen?”
Die vraag kon Elsje niet onbeantwoord laten. Er kwam een flauw lachje op haar gezicht, zij sprong het bed uit en deed de deur open. Daar stond Evert in al de glorie van bretels, een echten jongensbroek en een rood wollen lijfje.
“Ik moet mijn kiel nog aan, zie je,” zei hij. “Maar ik ben al gewasschen en mijn haar is ook al opgekamd.”
Dat was wel te zien, de blonde kuif stond recht en glimmend van het water overeind.
“Maar, wat ben jij ook al ver!” vervolgde hij op teleurgestelden toon, “ik dacht dat je nog op bed lag, toen ik je kwam roepen.”
“Dat was ook zoo,” zei Elsje.
“Heb je je dan zóó gauw aangekleed? Je moet je toch zeker alleen nog maar wasschen en je jurk aantrekken, he?”
“Ik ben niet uitgekleed geweest,” zei Elsje, die te waarheidlievend was om hem in den waan te laten, dat ze zóó gauw terecht kon met haar toilet.
Evert keek haar met groote oogen aan.
“Ben je dan met al je rokken aan in bed gaan liggen?” vroeg hij. “Mag je dat van je moeder?”
“Ik heb geen moeder meer,” zei Elsje, terwijl ze bij hem neerknielde en de tranen haar in de oogen schoten. “Neen, ik mag eigenlijk niet half aangekleed gaan slapen, zooals ik van nacht gedaan heb, maar ... maar....”
“Waarom begin je opeens te schreien?” vroeg Evert medelijdend. Hij legde zijn kleine ronde armen om haar hals, drukte haar hoofd tegen zich aan en zei: “Heb je je pijn gedaan? Zal ik het afkussen?” En zonder Elsje’s antwoord af te wachten, raakte hij haar wang zacht aan met zijn roode lipjes.
“Neen, ik heb geen pijn,” zei Elsje, hem door hare tranen heen lachend aanziende, “en het is heel flauw van me dat ik schrei. Ik zal me ook maar eens flink wasschen en mijn haar netjes opkammen, net als jij. Kom, ik moet maar gauw voortmaken.” En zij sprong snel op.
“En ik moet mijn kiel nog aan,” zei Evert met een gewichtig gezicht. “Dan kom ik weer bij je terug als ik heelemaal klaar ben. Vindt je dat goed?”
“Ja best.”
Evert verdween om zijn kiel aan te trekken en vader en moeder met veel drukte te vertellen, hoe Elsje “bijna heelemaal aangekleed” in bed gelegen had.
Ons meisje deed al haar best in een moediger stemming te geraken. “Kom,” zei ze bij zichzelf, toen Evert haar verlaten had, “ik wil nu werkelijk niet langer zoo flauw zijn. Eigenlijk is het ook dom van me geweest om weg te loopen gisteravond, want nu wordt tante natuurlijk straks heel ongerust, als ze me aan het ontbijt niet ziet en ik weet zelf niet eens wat ik beginnen moet. Het zal misschien het allerbeste zijn dat ... dat ik toch weer naar tante terug ga straks ... en haar eerlijk alles vertel....”
Dit was zeker een kloek besluit, maar kalmer werd Elsje er niet op toen zij het genomen had. Zij werd hoe langer hoe zenuwachtiger, toen zij zich voorstelde welk een ontvangst haar in het huis van mevrouw d’Ablong wachten moest en niet dan met inspanning gelukte het haar, eenige aandacht te schenken aan haar toilet. Zij moest eens even vrij ademhalen—hoe was het mogelijk dat zij dat akelige korset had aangehouden van nacht—hè, zij zou het even uittrekken! Zoo gezegd, zoo gedaan, en een kreet van verbazing en vreugde ontsnapte haar, toen ze haar onderlijfje en het korset losgemaakt had en plotseling iets ritselend op den grond hoorde vallen, dat ... het kostbare parelsnoer bleek te zijn! Waarschijnlijk was het slootje door grootmama niet heel stevig vast gemaakt en los gegaan, toen Elsje voor het open raam naar buiten zat te kijken. Op voor haar onverklaarbare wijze was het snoer van haar hals af en naar beneden gegleden en tusschen het verachte korset vastgeraakt. Met stralende oogen raapte zij het van den grond op, bekeek het nauwkeurig, zag tot haar groote blijdschap dat het in ’t geheel niet beschadigd was en legde het voorzichtig neer op een stoel. Met de grootste haast kleedde en waschte zij zich toen. Nu moest ze in ieder geval maken dat ze zoo gauw mogelijk weer bij hare tante terug was. Als zij maar niet telkens zoo vreemd duizelig geweest was en het niet zoo akelig geklopt en gebonsd had in haar hoofd! Zij moest ieder oogenblik eens even stilstaan om op haar verhaal te komen. Het was of het kamertje met haar in de rondte draaide—hè, zoo raar! Toen ze een glas water gedronken had werd het een beetje beter, maar ze bleef zich toch rillerig en onaangenaam voelen en trok huiverend de dunne, rose jurk aan,—ze was zóó koud! Maar ze moest zich haasten—als ze terstond als ze klaar was naar het huis van mevrouw d’Ablong terugliep, zou ze misschien nog vroeg genoeg komen om zich even te kunnen verkleeden en aan het ontbijt te zijn, voordat haar tante beneden was. Zij zou haar dan alles vertellen natuurlijk, hoewel ze daar vreeselijk tegen op zag, maar dat kon niet anders, dat sprak van zelf.
Daar werd de deur van haar kamertje geopend en de kruideniersvrouw stond voor haar met Evert aan de hand.
“Goed geslapen, Elsje?” vroeg ze vriendelijk. “Wacht, laat ik die jurk maar eens even voor je vastmaken. Zóó. Maar meisje, wat zijn je handen ijskoud! Ga maar gauw mee naar beneden, daar begint de kachel al heerlijk te branden.”
“Ik zou eigenlijk graag dadelijk naar huis willen gaan,” zei Elsje. “Kijk, dit was het, wat ik verloren had. Ik dacht dat het voor goed weg was gisteravond en toen ben ik weggeloopen van tante in mijn schrik. Maar ik had het niet moeten doen; het was verkeerd van mij en daarom moet ik nu terstond naar huis—anders wordt tante bepaald ongerust.”
“Maar je moet toch eerst een boterham eten, Elsje, en wat warms drinken en dan zal mijn man wel dadelijk naar je tante toegaan en haar zeggen waar je bent. Vertel mij maar even waar ze woont.”
“Neen, neen, ik moet zelf gaan en dadelijk,” zei Elsje erg gejaagd, terwijl ze de parelen, die de onschuldige oorzaak waren geweest van zooveel onrust en angst, in den zak van haar jurk liet glijden. “Ik moet nu terstond weg, wezenlijk. Ik dank u heel vriendelijk dat ik hier heb mogen slapen en ... als ik kan, wil ik ook graag eens wat voor u doen, maar nu moet ik naar tante terug. Is ... is er misschien ook een oude hoed voor mij en een doek of zoo iets? Ik ben zoo erg koud.”
“Waarom heb je je zomerjurk aan?” vroeg Evert, “en waarom ga je dadelijk weer weg? Blijf je niet met me spelen van ochtend?”
“Neen, neen, nu niet, een anderen keer.”
“Hè, waarom nu niet?” vroeg Evert weer met een pruilend lipje.
“Stil jongen, niet lastig zijn,” zei zijn moeder. “Elsje komt wel eens gauw weer terug, is ’t niet Elsje? Ze moet ons dan nog een heeleboel vertellen. Waar ze woont en waar ze logeert en hoe haar tante heet en nog allerlei dingen meer, maar nu gaan we naar beneden.”
De goede vrouw was, zooals te begrijpen is, erg nieuwsgierig wie en wat Elsje eigenlijk was, maar Elsje was veel te zenuwachtig om nauwkeurig te letten op wat zij zeide en haar te antwoorden en toen ze een reepje brood gegeten had en een slokje gedronken uit het glas met warme melk, dat de kruideniersvrouw haar voorzette, stond ze snel van tafel op, liet zich een ouden, wijden wintermantel van haar gastvrouw aantrekken, betuigde dat zij het best zonder hoed kon doen, toen er niet dadelijk een voor haar te vinden was, nam afscheid van het kleine gezin en liep snel den winkel uit. Evert riep haar nog na of zij niet een nieuw zakje met rozijnen hebben moest, want zij had hem verteld hoe zij het vorige was kwijt geraakt, maar zij hoorde hem niet eens meer en liep op een draf voort, de drukke straat door en de deftige gracht op.
Het was nu acht uur en de melkboeren, bakkers en enkele dienstmeisjes, die zij tegen kwam, keken haar verbaasd na, terwijl zij in haar zonderling kostuum voortsnelde. Het was dan ook een wonderlijke verschijning: die meisjesgestalte gehuld in een vaalbruinen, lakenschen mantel met ouderwetsche, neerhangende wijde mouwen, die ver over de handen vielen—daaronder de lichte, in ’t oog vallende jurk en de zijden kousen met de lage, goudlederen schoentjes en het blonde haar, dat woest in den wind fladderde.
Maar evenmin als den avond te voren stoorde Elsje zich nu aan de blikken der voorbijgangers; zij liep voort, voort, tot ze eindelijk geheel buiten adem op de stoep stond van het huis van mevrouw d’Ablong. De kruidenier had aangeboden haar thuis te brengen, maar zij had zijn aanbod afgeslagen, overtuigd dat zij veel vlugger zou kunnen loopen als ze alleen was. Nu ze echter op de stoep stond en aangescheld had, scheen het haar toe dat ze er niet zoo verschrikkelijk tegen op zou hebben gezien naar binnen te gaan, als er iemand bij haar was geweest. In haar hoofd begon het nog harder te kloppen en klappertandend, rillend en bevend wachtte zij het oogenblik af, dat de deur geopend zou worden. Lang behoefde zij niet te wachten. De deur werd met een ruk open gedaan door Frits, die bij iedere schel hoopte dat er bericht van de politie zou zijn en met smeekende oogen en de woorden: “O, het spijt me zoo vreeselijk!” liep Elsje de gang in. Op hetzelfde oogenblik overviel haar zulk een hevige duizeling dat ze zich onmogelijk staande kon houden en met de handen rondtastend en een zwakken kreet om hulp, op het marmer neerzakte. In een oogenblik had Frits haar van den grond getild en zijn arm om haar heenslaande, zei hij zacht:
“Stil maar Elsje, stil maar. Wij zijn heel blij dat je er weer bent. Haal maar eens flink adem. Zoo! Steun nu maar goed op mij. Tante is binnen. Wij gaan dadelijk naar haar toe. Niet bang zijn, het is niets, niets. Kom, kom, niet zoo beven! Straks maar gauw naar bed, he? De warmte zal je goed doen. Arm kind, arme kleine Roodkapje! Gelukkig dat wij je weer hebben.”
“Wat is er, is er bericht?” vroeg de stem van mevrouw d’Ablong haastig, terwijl de deur der kamer waar zij had zitten wachten, snel werd geopend. “Toe Frits, kom toch gauw.”
“Er is heel goed bericht tante,” zei Frits, “ik kom u Elsje zelf brengen,” en een oogenblik later stond hij met Elsje, die er doodsbleek en zeer bevreesd uitzag, voor Miss Piper en Mevrouw d’Ablong.
“O tante, tante,” riep het arme kind, “het spijt me zoo vreeselijk! Het spijt me zoo vreeselijk! Hier zijn ze weer! Ik dacht dat ze weg waren gisteravond en toen ben ik weggeloopen in mijn angst, omdat.... ik.... bang was dat u heel boos zoudt zijn.... maar hier zijn ze weer!” En snel haalde ze de kostbare parelen uit haar zak en legde ze haar tante in de hand. Toen begon ze weer over al hare leden te beven, alles draaide voor hare oogen en met den uitroep: “Ik ben zoo koud, zoo akelig koud!” viel ze op een stoel neer.
”She is fainting, she’s fainting!” riep Miss Piper bij haar neerknielend, terwijl zij uit alle macht Elsje’s handen begon te wrijven; maar flauw vallen deed deze nog niet, hoewel ze zich hoe langer hoe zieker en akeliger begon te voelen.
“Ik zal me dadelijk gaan verkleeden, tante,” zei ze, met een zwakke poging om op te staan, “och wees maar niet al te boos op mij, het spijt me zoo vreeselijk, zoo vreeselijk! Het was heel leelijk van me om weg te loopen, maar ik was zoo bang en toen....
“Niet praten zooveel,” zei Miss Piper. “Jij moet nemen een lange rust en probeeren te slapen.”
“Tante, tante, bent u erg boos?” riep Elsje, angstig naar mevrouw d’Ablong kijkend, die met Frits stond te fluisteren.
“Neen kindje, neen,” zei ze, veel te blij dat Elsje er weer was om haar te kunnen beknorren. “Wind je nu maar niet zoo op. Je bent ziek en je moet maar dadelijk naar bed. Frits zal naar den dokter gaan, die zal je wel gauw weer opknappen, hopen we. Maar waar ben je toch den heelen nacht geweest, toch niet aldoor op straat? Er is zóó naar je gezocht.”
Met horten en stooten, veel te moe om geregeld haar wedervaren te kunnen vertellen en toch niet gerust voordat haar tante alles wist, deed Elsje haar verhaal, waarbij Miss Piper haar telkens in de rede viel door te zeggen dat ze “moest probeeren te kalmeeren haarzelf” en “niet weenen, niet weenen”, en “wezenlijk moest nemen een rust nu.” Elsje gunde zich echter geen rust, voordat ze, zoo goed en zoo kwaad als het ging, haar hart geheel had uitgestort en nauwkeurig had aangeduid, waar de kruidenier woonde, die haar zoo gastvrij had geherbergd. Zij was erg bang dat de kruideniersvrouw haar mantel niet terug zou krijgen en eerst toen haar tante haar vast had beloofd dat het kleedingstuk nog dien ochtend door den oppasser zou worden terug bezorgd met een vriendelijk briefje en toen ze nog eens en nog eens had gehoord dat niemand boos op haar was, liet ze zich overhalen naar boven te gaan en zich door Keetje, die nu natuurlijk bizonder hartelijk voor haar was, te laten uitkleeden. Mevrouw d’Ablong bracht haar een geklopt ei met wijn en ging toen zelf nog wat rusten, terwijl Miss Piper haar voorbeeld volgde, maar eerst Cécile van alles op de hoogte bracht, die later, zonder veel medelijden voor Elsje uit te spreken, alles aan grootmama vertelde, die erg met de arme vluchtelinge te doen had. De dokter kwam ’s middags en constateerde dat Elsje hevig de koorts had en veel kou had gevat op haar avontuurlijken tocht. Hij zou den volgenden ochtend weerkomen—er was nu nog weinig van te zeggen of zij werkelijk ziek zou worden of niet.
De oppasser bracht den mantel, keurig in een doos gepakt, aan de kruideniersvrouw terug met een eigenhandig geschreven briefje van mevrouw d’Ablong. Elsje had haar verteld dat zij den naam harer tante niet had genoemd en ook niet had gezegd waar deze woonde en mevrouw d’Ablong vond het bij nader inzien ook onnoodig, het kruideniersgezin daaromtrent thans in te lichten. Zij gebood den oppasser de vrouw een belooning in geld te overhandigen, niet te zeggen wie hem zond en schreef het volgende briefje:
”Elsje’s tante zendt u haren vriendelijken dank voor de goede zorgen en de gastvrijheid, aan haar nichtje verleend.”
De kruideniersvrouw keek vreemd en wat teleurgesteld op, toen ze het briefje las. De belooning in geld wezen haar man en zij eenigszins bits van de hand; dàt was het niet, waarnaar zij verlangden, maar: “ik had gedacht dat het meisje zelf ons hartelijker zou hebben behandeld,” zei ze. De geheele geschiedenis bleef even raadselachtig als zij geweest was, vooral toen Elsje niet meer van zich liet hooren en ook niet in den winkel verscheen, hoewel Evert telkens verlangend naar haar uitzag.
О книге
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Комментарии
Будьте первым, кто оставит комментарий
К этому контенту пока нет комментариев. Начните обсуждение!






