Elsje - Бесплатная аудиокнига
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk XV. Cécile’s Engagement.
Hoofdstuk XV.
Cécile’s Engagement.
Er gingen drie, vier weken op deze wijze voorbij en alles bleef bij het oude. Niemand maakte ook maar de geringste toespeling op een engagement tusschen Frits en Cécile en Elsje’s strijd werd hoe langer hoe zwaarder. Louise zou nu spoedig vertrekken en dan zouden die fluisterende gesprekken en dat laffe gegiegel ten minste ophouden, dacht zij met een zucht van verlichting. Frits was telkens uren aaneen op de buitenplaats, waarvan hij met September den post van rentmeester op zich zou gaan nemen. Er was een aardig, vroolijk huis te zijner beschikking gesteld en grootmama en hij waren druk bezig, de kamers prettig en comfortabel in te richten en allerlei noodige veranderingen te laten aanbrengen. Cécile interesseerde zich zeer voor het huis en gaf telkens raadgevingen ten beste omtrent het schikken der meubelen en het versieren der muren. Zij had veel smaak en was daarvan zelf ook volkomen overtuigd. Door het geheele gezelschap werden herhaaldelijk tochten gemaakt naar het huis, waarbij Frits er met trots de goede hoedanigheden en de mooie ligging van aanwees.
“Nu is mijne toekomstige woning bijna klaar,” zei hij, toen hij op een Zaterdagavond thuiskwam. “Ik hoop dat de dames mij de eer willen aandoen er morgenmiddag nog eens met mij heen te gaan en te zien of het geheel hare hooge goedkeuring wegdraagt.”
Het was den volgenden dag prachtig weer en Elsje genoot ’s ochtends met haar geheele hart de mooie wandeling naar de kleine dorpskerk, waarheen de weg voerde langs kronkelende, smalle paden tusschen het bouwland door. Zij voelde zich vredig en blijmoedig gestemd; alles om haar heen was zoo mooi, zich badend in den glans van gouden zonlicht; het was haar, alsof de natuur in al hare lieflijkheid haar toeriep om te genieten met een dankbaar, gelukkig hart. Zij was zoo klein soms in haar angstigen, eenzamen strijd, dat voelde zij wel en alles was rustig in haar, vol moed en hoop, toen ze luisterde naar de ernstige preek en met hare heldere stem de gezangen meezong. Grootmama moest telkens eens naar haar kijken, terwijl ze eenvoudig en met zekeren heiligen ernst in de oogen deel nam aan de godsdienstoefening en Frits liep zwijgend naast haar op den terugweg, als beschroomd om hare stemming te verbreken.
“Erg interessant en peinzend,” zei Cécile, die met Louise achter hen liep. “Het wordt heusch te dwaas, Lou. Dat kind gaat zich allerlei dingen verbeelden, omdat Frits uit goedigheid met haar loopt en vriendelijk voor haar is.”
“Ja, het is allergekst,” zei Louise, “nu, ze zal het langzamerhand wel afleeren.”
“Dat zal wel dienen, ten minste, maar eigenlijk moesten wij haar dan wat helpen.”
“Och, laten wij haar nu maar niet plagen; ik heb toch een beetje met haar te doen.”
Heel noodig scheen het anders niet te zijn dien dag, dat Louise medelijden met Elsje had, want ’s middags was ze heel opgewekt en babbelde vroolijk met Frits, die haar zoo dikwijls vroeg toen zij in en bij zijn huis rondliepen: “En hoe vindt je dit nu, Roodkapje?” “Is de natuur hier nu niet nog veel mooier dan bij jouw dorp, Roodkapje?” “Moet je mijn kippenhok nu niet eens gaan bewonderen, Roodkapje?” en dergelijke dingen meer, dat grootmama tusschenbeide kwam en lachend beweerde dat hij Elsje nu eens met rust moest laten. Zij kon onmogelijk op al zijn vragen tegelijk antwoorden.
“Mag ik je nu nog even één vraag doen?” vroeg Frits een poos later, toen hij met Elsje voor het bewuste kippenhok heen en weer liep. De anderen stonden al bij het hek van den tuin op haar te wachten om terug te gaan; Frits zou veel later volgen, hij moest nog in het huis zijn.
“Ik moet nu heusch weg,” zei Elsje haastig en op eens niets kalm meer, zij wist zelf nauwelijks waarom.
“Je moogt terstond gaan,” zei Frits, zeer snel sprekend. “Ik wou alleen weten, of je dat aardige roode kapje nog hebt en of je het dan nog eens voor mij op zoudt willen zetten.”
“O, dat is thuis, in de stad,” zei Elsje lachend en blozend. “Dan moet je nog een beetje geduld hebben.” En zonder af te wachten, of Frits ook nog iets te zeggen had, liep ze weg, naar de anderen toe.
“Wat ben je stil, Elsje,” zei Cécile met een fijn lachje toen zij naar huis terug wandelden.
“Zeker erg boeiende gedachten!” zei Louise spottend. Mogen wij die niet weten, Elsje?”
“Ik denk dat je er niet erg nieuwsgierig naar bent,” antwoordde Elsje bedaard.
“Maar dat zijn we juist wel,” zei Cécile. “Je bent zoo verbazend interessant den laatsten tijd en je krijgt zoo dikwijls een lief kleurtje! Maar daar zou ik toch niet te veel een gewoonte van maken als ik jou was; het staat je niet erg.”
“Dat kan mij niets schelen,” zei Elsje driftig.
“Dat ben ik zoo vrij niet te gelooven, meisje,” zei Cécile scherp. “Het kan je wel degelijk schelen, hoe je er uitziet. Wat beduidt het anders dat je zoo vaak dien grooten hoed opzet, nadat Frits eenmaal heeft gezegd, dat die je niet onaardig staat?”
Elsje werd vuurrood en beet zich op de lippen.
“Ik geloof heusch,” vervolgde de onverbiddelijke Cécile, “dat je er bizonder op let, wat Frits zegt. Louise heeft het ook opgemerkt, is het niet, Lou?”
“Ja natuurlijk,” zei Louise.
Elsje zweeg, maar de kleur op hare wangen werd donkerder en hare oogen schitterden van verontwaardiging en angst. Gelukkig waren zij nu juist de villa genaderd en kon zij zich bij de twee oudere dames voegen.
“O Elsje, wat zie je er warm uit!” zei mevrouw d’Ablong. “Ga maar gauw een koelere japon aantrekken, kind. Jij verkleedt je zeker ook nog even, he Cilly?”
“Ja mama. O, zijn er brieven gekomen? Kijk eens even hoe aardig! Een voor Lou, een voor Elsje en een voor mij. Hier Elsje, zeker van je zielsvriendin!”
Elsje nam den brief aan, die werkelijk van Line bleek te zijn. Zij liep er langzaam mee naar boven, voorafgegaan door Louise en Cécile, die dolle pret samen hadden. Zij stonden nog op het portaal te lachen, toen Elsje naderde en juist wilde deze de kamer van Frits voorbijgaan, waarvan de deur op een kier stond, toen Cécile haar opeens een duw gaf, zoodat zij midden in de kamer terecht kwam.
“Mal kind, je bent verliefd!” riep Cécile. “Geniet daar maar eens heerlijk een beetje, hoor. Je hebt dan zijn kamer tenminste, al heb je hem niet.”
En voordat Elsje weg kon loopen, had zij de deur gesloten en den sleutel van buiten in het slot omgedraaid. Elsje hoorde Louise nog zeggen: “Och Cilly, dat vind ik nu al te erg! Laat er haar toch weer uit! Wat zal zij beginnen, als hij straks thuis komt?” En Cécile’s antwoord: “Wel neen, ze zit daar best!” Daarop verwijderden de beide meisjes zich.
Wat moest de arme Elsje nu doen? Met den brief van Line nog ongeopend in hare hand, stond ze een oogenblik strak voor zich uit te kijken, om toen naar de deur te snellen en driftig aan den knop te rukken, die natuurlijk zijn dienst weigerde. Toen liep ze naar het raam, keek naar buiten en kwam, met een trilling van schrik, tot de overtuiging dat het onmogelijk zou zijn van die hoogte naar beneden in den tuin te springen. Er zat niets anders op dan zoo rustig mogelijk te wachten, tot het Cécile zou believen den sleutel weer om te draaien en haar vrij te laten. Maar als Frits voor dien tijd thuis kwam en haar daar vond! Dat zou verschrikkelijk wezen! Zij kon dat denkbeeld in het geheel niet verdragen, liep weer naar de deur en riep luid en dringend: “Och Cécile, doe toch open, laat er mij als ’t je blieft uit!” En toen ze geen antwoord kreeg: “Grootmama! Tante!”
Het bleef echter stil op het portaal. De twee oudere dames waren zeker beneden en Louise en Cécile bekommerden zich niet meer om haar. Het was verschrikkelijk, verschrikkelijk! Maar niettegenstaande haar angst en gejaagdheid, begaf ook nu hare zelfbeheersching haar niet. Zij trachtte zich tot kalmte te dwingen en bedaard af te wachten, wat er gebeuren zou. Zoodra ze iemand hoorde op het portaal of in den tuin, zou ze roepen; tot zoolang moest ze geduld hebben. Om zich den tijd te korten, zou ze probeeren Line’s brief te lezen.
Zij scheurde het couvert open en zag dat het slechts een kort, maar dringend schrijven bevatte van Line om haar uit te noodigen, zoo gauw als zij maar kon, te komen logeeren. Hare ouders verlangden erg kennis met Elsje te maken, schreef zij. Hare moeder was in het begin der volgende week jarig en er zou dan een groote buitenpartij plaats hebben; daar moest Elsje noodzakelijk bij zijn! Zij moest maar terstond terug schrijven, dat zij kwam en wanneer. Line had een gevoel, alsof zij haar in geen maanden gezien had!
Elsje las de weinige regels snel door, onderwijl scherp luisterend, of zij niet iemand hoorde aankomen, die haar uit haar gevangenschap kon verlossen. Het bleef echter doodstil op het portaal en ook in den tuin vertoonde zich niemand. Zij stond nog steeds op dezelfde plek bij het raam naar buiten te kijken en bleef daar staan, erg ongeduldig en zenuwachtig, zonder er een oogenblik aan te denken, nieuwsgierig in de kamer rond te snuffelen of een kijkje te nemen in de boeken van Frits, die door het geheele vertrek lagen verspreid. “Ik moet bedaard blijven,” dacht ze, “zoodat ik hem heel gewoon en kalm kan zeggen, wat er gebeurd is, als hij straks komt,” maar zij werd er juist niet kalmer op, toen zij eindelijk een bekenden mannenstap hoorde op het portaal. Aan de kamer van Frits grensde een klein vertrekje waar hij sliep. Dit kon alleen door de zitkamer worden bereikt, maar Elsje koesterde toch een oogenblik de vurige hoop dat hij daar dadelijk heen zou gaan en haar niet zou zien, als zij even, in half gebogene houding, achter de schrijftafel staan bleef, terwijl hij de kamer doorging. Ze kon dan terstond wegsnellen, als hij zijn slaapkamertje binnengegaan was. Maar...Frits zelf bracht hare plannen geheel in de war. Hij was natuurlijk zeer verwonderd, zijn kamer op slot te vinden en draaide terstond ongeduldig den sleutel om, om toen een beetje driftig naar binnen te loopen en rond te kijken, of er ook iets bizonders te zien was. Er kwam een zekere verlegene verbazing op zijn gezicht, toen hij Elsje gewaar werd.
Het arme meisje werd vuurrood, kwam bevend achter de schrijftafel te voorschijn en zei snel en geagiteerd:
“Cécile had mij hier opgesloten, heelemaal uit de grap natuurlijk, maar ik vond het toch heel akelig en ik was zoo bang...”
“Bang?” viel Frits langzaam in, terwijl hij haar ernstig in de oogen keek. “Maar voor mij ben je toch niet bang, Roodkapje?”
“O neen,” zei Elsje, een anderen kant uitkijkende. “Heelemaal niet natuurlijk, maar ik dacht dat je misschien boos op me zoudt wezen.”
“Als je niet bang voor me bent, waarom durf je me dan niet aan te kijken?”
“Dat ... dat durf ik wel.”
“Doe het dan eens.”
Zij wierp het hoofd een weinig achterover, als wilde ze hare verlegenheid trotsch onderdrukken, en zag hem aan, boos op zichzelf, omdat ze voelde, dat ze al weer een kleur kreeg.
“Dus je bent heelemaal niet bang voor me?” vroeg hij met een fijn lachje, dat Elsje opeens in een geheel andere stemming bracht en een uitdrukking in hare oogen deed ontstaan, die Frits niet begreep. Het was, alsof zij plotseling erg verontwaardigd werd.
“Neen, volstrekt niet natuurlijk,” riep ze, terwijl ze vlug als de wind van hem wegliep, de kamer uit.
“Hij lacht mij uit,” fluisterde zij met trillende lippen, toen ze in hare eigene kamer was. “Ik heb zeker heel gek gedaan! O, wat moet ik beginnen, wat moet ik beginnen!”
Maar terwijl ze zich verkleedde, werd ze kalmer. Ze zou hare tante dadelijk den brief van Line laten zien en haar vragen of zij over een paar dagen naar haar toe mocht gaan. Als zij Frits maar niet meer zag, zou alles wel beter met haar worden en als zij dan terugkwam, werd het engagement tusschen Cécile en hem zeker heel gauw publiek en zou alles van zelf gemakkelijker worden. Zij hield de lippen stijf op elkaar gedrukt, terwijl ze hierover nadacht en dwong zich letterlijk tot kalmte, toen ze weer naar beneden gaan moest en de anderen zien.
“Een vrij goedkoope aardigheid van je, Cilly,” hoorde zij Frits tot Cécile zeggen, toen zij de kamer inkwam. Hij schoof snel een stoel voor haar naast grootmama, toen hij haar zag, maar Elsje lette er niet op en ging terstond naar hare tante, die een weinig van de anderen af, op de canapé zat te lezen.
“Het spijt me voor je, kindlief, maar daar kan niets van komen,” zei mevrouw d’Ablong half fluisterend, toen ze Line’s briefje had gelezen. “Ik heb die vriendschap toegelaten toen je nog op de kostschool waart en ik ben er ook niet tegen dat dat meisje en jij nog brieven aan elkaar schrijven—zoo langzamerhand zal dat ook wel uitslijten. Ik begrijp wel dat het een teleurstelling voor je is, niet naar haar toe te gaan, maar heusch, die menschen behooren niet tot onzen stand en wij kunnen niet met hen omgaan, dat gaat niet. Je moet maar een heel beleefd briefje terugschrijven dat het je spijt, maar dat grootmama je nu liever hier houdt.”
“Maar tante, grootmama heeft daar toch niets van gezegd.”
“Neen, maar ik weet toch dat het zoo is. Kom kind, trek er nu je hart maar af en kijk niet zoo verdrietig. Maar Elsje, je hebt tranen in de oogen! Wat is er toch met je? Je bent den laatsten tijd bepaald anders dan vroeger. Ga hier eens even bij mij op de canapé zitten. Is er wat, kind? Kom, zeg het mij maar.”
“Neen tante, er is niets, heusch niet,” zei Elsje met zooveel nadruk, dat mevrouw d’Ablong haar lachend aankeek. “Ik zou alleen zoo dolgraag naar Line willen gaan.”
“Ja, maar dat kan nu niet en daar spreken we nu ook niet meer over. Maar ik geloof dat je niet heelemaal de zuivere waarheid spreekt meisje, en dat je wel wat scheelt.”
Het trof gelukkig voor Elsje dat juist op dit kritieke oogenblik de gong voor het middagmaal werd geluid.
Zij volgde de anderen met een zucht van verlichting en deed haar best onder het eten zoo spraakzaam en vroolijk mogelijk te zijn. Frits babbelde druk met haar mede en zij vond ten slotte dit uur lang zoo moeielijk niet, als zij gevreesd had dat het zijn zou.
Maar na den eten werd zij weer moedeloozer. Louise en Cécile waren dadelijk naar boven gegaan, grootmama rustte even en mevrouw d’Ablong en Frits liepen druk in gesprek samen in den tuin. Elsje stond alleen onder de veranda, geheel vervuld van de teleurstelling, dat zij niet bij Line mocht gaan logeeren en ook weer angstig over de geheime blijdschap, die zij in haar hart voelde, omdat ze hier moest blijven. Het was alles onrustig en gejaagd in haar en gehoor gevend aan een opwelling om in de plechtige eenzaamheid van het bosch, de kalmte te zoeken, die zij noodig had, liep zij de dennenlaan op zij van het huis in en gaf zich over aan de gewaarwording van innig, rein genot, die ze steeds voelde, als ze alleen was met de natuur.
“Hè, hoe heerlijk!” zuchtte ze, opkijkend naar de blauwe lucht en de verkwikkenden harsgeur inademend, terwijl er een weldadig gevoel van vredige berusting in haar hart kwam, vermengd met het oude gevoel van schaamte over hare kleingeloovige zwakheid. Met een ernstige uitdrukking op haar gezicht, liep ze langzaam voort tot ze opeens verschrikt stil stond bij het hooren van de stem van Frits, die haar riep.
“Elsje, Elsje, Roodkapje, wacht even!” riep hij en zonder te antwoorden, keerde zij zich om en zag hoe hij hijgend en op een drafje naar haar toekwam.
“Mag ik met je meewandelen?” riep hij, en verbaasd dat zij niet dadelijk “ja, graag,” zeide, vroeg hij toen hij bij haar stond: “Nu, wil je me mee hebben of niet?”
Elsje wist zelf nauwelijks later, hoe zij de woorden er uit had gebracht, maar overweldigd door een vreemden angst om alleen met hem te zijn en om, als zij later met Frits thuiskwam, de spottende blikken van Louise en Cécile op zich gevestigd te zien, zei ze gejaagd:
“Ik....ik ga liever alleen, eigenlijk.”
Frits kreeg een kleur en beet zich op de lippen. Hij zag er boos uit, vond Elsje.
“Dan zal ik je natuurlijk geen oogenblik langer met mijn gezelschap lastig vallen,” zei hij koel, keerde haar den rug toe en sloeg een zijpad in naar het bosch.
Al Elsje’s rust was verdwenen en toch had zij geen berouw over haar gedrag. “Laat hij dan maar boos wezen, ik kon niet anders,” mompelde ze, terwijl ze terstond den terugweg naar huis insloeg. Zij mocht hem eens weer tegenkomen als zij verder wandelde en dat wilde ze in geen geval!
Ze vond de vier andere dames al aan de theetafel zitten, toen ze de veranda inliep en met geheime vreugde merkte ze op, dat Loulou en Cécile verbaasd keken, toen zij zagen dat ze alleen was. Grootmama vroeg ook: “He, heb je Frits niet mee gebracht?” en Elsje antwoordde heel gewoon: “Neen grootmama,” zonder te blikken of te blozen. “Dan is hij toch zeker alleen gaan wandelen,” zei grootmama weer en Elsje zweeg; ze wist immers, dat de oude dame het bij het rechte eind had.
“Wat blijft hij dan vreeselijk lang uit,” zei Cécile, “niet heel beleefd tegenover jou, Lou, het is je laatste avond.”
“O, ik mis hem niet erg,” fluisterde Louise met een veelbeteekenenden blik op Elsje.
“Nu begrijp ik toch heusch heelemaal niet, waar Frits blijft,” begon grootmama weer, toen het over negenen was en haar kleinzoon nog maar steeds niet terug kwam.
“Misschien is hij nog even naar zijn huis gegaan,” zei mevrouw d’Ablong.
“Neen, dat denk ik niet, dan zou hij het mij wel gezegd hebben.”
Het werd half tien, tien uur en nog kwam Frits niet. “De heerlijke zomeravond zal hem zeker tot een bizonder lange wandeling verleid hebben,” zei grootmama. “Hij houdt ook zoo dolveel van de heide bij maanlicht, evenals jij, Elsje. Hoe is het, kind? Je bent zoo stil, dunkt me.”
“Ik heb wat hoofdpijn, grootmama,” zei Elsje zacht.
“Dan zou ik maar dadelijk naar bed gaan, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong bezorgd. “Je hebt bijna nooit hoofdpijn; een lange nacht zal je goed doen.”
“Ja, ik wil eigenlijk wel graag gaan,” antwoordde Elsje, die er erg tegenop zag Frits weer te zien, na de ontmoeting in de dennenlaan.
“Blijf morgenochtend nog maar rustig wat liggen als je je niet prettig voelt, hoor,” zei grootmama, toen zij Elsje goeden nacht wenschte.
“Ja, laten wij maar vast afscheid nemen,” zei Louise, “ik ga al om half negen weg—dan ben je misschien nog niet bij de hand.”
“Dan mag ze ook wel afscheid nemen van mama en mij,” zei Cécile, “want wij brengen je met het rijtuig naar den trein, zooals je weet en gaan dan verder.”
Elsje bleef verbaasd staan en keek mevrouw d’Ablong aan. “U en Cécile gaan toch nog niet weg, tante?” vroeg ze verwonderd.
“Neen, wij gaan maar voor twee dagen uit logeeren,” antwoordde mevrouw d’Ablong met een geheimzinnig lachje. “Ik mag er je niets meer van vertellen, dat wil Cilly niet hebben. Het moet een verrassing zijn voor je en voor Frits ook natuurlijk; die zou zeker van avond niet zoo lang uitblijven, als hij wist dat Cilly er morgen en overmorgen niet zal zijn. Nacht Elsje, ga maar gauw naar bed, hoor.”
Elsje begreep er niets van. Wat moest een verrassing zijn voor haar en voor Frits en waarom mocht Frits niet weten dat Cécile twee dagen uit logeeren ging? Grootmama had ook al zoo geheimzinnig geglimlacht en later weer zoo heel ernstig gekeken, toen ze Elsje een kus gaf en met nadruk zeide: “Nacht mijn lief kleindochtertje!” Zou zij toen gemeend hebben dat zij graag wilde dat Elsje wezenlijk hare kleindochter werd? Elsje schrikte over hare eigene vermetelheid, toen deze gedachte bij haar opkwam. Hoe was het mogelijk dat zij zoo iets durfde te denken! Grootmama was natuurlijk erg ingenomen met het engagement van Frits en Cécile en zijzelf moest probeeren er ook mede ingenomen te zijn. Als hare tante en Cécile over twee dagen weer thuis waren, zou het dan toch zeker publiek worden—Elsje wou nu erg graag dat het maar zoover was. Hè, wat was haar hoofd moe en wat deed het pijn! Zij moest maar gauw probeeren in slaap te komen.
Den volgenden ochtend werd zij heerlijk verkwikt wakker en was juist op het punt om op te staan, toen de deur harer kamer langzaam werd geopend en hare tante, binnenkwam. Zij zag er bizonder vriendelijk uit, boog zich over Elsje heen, kuste haar en zeide:
“Ik zou nog maar rustig een beetje blijven liggen, meisje, tot wij weg zijn. Frits is gisteravond laat thuis gekomen, maar ik heb hem van ochtend toch al gesproken. Neen, kijk mij eens even goed aan. Ben je van plan vandaag weer heelemaal in je eentje te gaan wandelen of mag Frits nu wel met je mee, ondeugend kind?”
Elsje kleurde tot achter de ooren. Dus Frits had alles aan hare tante verteld,—dat vond ze in ’t geheel niet aardig van hem!
“O, ik wil ook wel met Frits wandelen,” zei ze koel.
“Zoo jonge dame, wil je dat wel? Nu, dan wensch ik je een prettige wandeling, hoor!”
Toen, opeens ernstig wordend, knielde mevrouw d’Ablong bij het ledikant neer en zei op zachten toon:
“Mis je je grootmoeder nu nog zoo erg, Elsje? Of heb je toch ook bij mij een gelukkig leven gehad?”
“O ja tante, ja,” riep het jonge meisje uit met een dankbaren blik. “U bent zoo goed voor me en zoo lief.”
“Niet altijd,” zei mevrouw d’Ablong met zulk een glans van teederheid in de donkere oogen, dat Elsje er aangedaan van werd, de armen om haar hals sloeg en zeide:
“Ik houd toch zooveel van u, tante.”
“Zóóveel?” vroeg mevrouw d’Ablong glimlachend. “Meer dan van iemand op de wereld, Elsje?”
Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze heel zacht:
“Dat weet ik niet.”
“Dan hoop ik dat je het spoedig weten zult,” zei hare tante vriendelijk en met nadruk. Even later had zij de kamer verlaten.
Het was met een gemengde gewaarwording van teleurstelling en verlichting dat Elsje, toen zij beneden kwam, bemerkte dat niet alleen hare tante, Cécile en Louise vertrokken waren, maar dat ook Frits reeds ontbeten had en naar het dorp gegaan was om boodschappen te doen. Tegen koffietijd kwam hij terug, maar terstond na het lunch ging hij naar zijn kamer, waar hij “allerlei te beredderen” had, zooals hij beweerde. Grootmama en Elsje gingen toen samen buiten zitten handwerken, maar het was een vreemde, ongezellige middag, vond de oude dame en wat Elsje betreft—zij was zoo stil en tevens zoo ongedurig dat grootmama haar telkens vroeg, of de hoofdpijn nog niet over was en of zij niet eens even zou gaan liggen. Elsje was blij, toen het etenstijd was, maar bedaarder werd zij er niet op, toen Frits haar na den eten aarzelend vroeg, of zij lust had nog eens naar de heide te wandelen, naar het bekende plekje, dat zij zoo mooi vond. “O ja, ik wil heel graag,” zei ze snel—ze durfde nu niet te zeggen dat ze eigenlijk liever alleen uit wilde gaan—“dan neem ik een boek mee, als je ’t goed vindt, het lijkt me zoo prettig toe, daar een beetje te gaan zitten lezen.”
“Zeker, dat vind ik uitstekend,” antwoordde Frits, “ik zal ook een boek halen.”
Een paar minuten later wandelden zij, ieder gewapend met een boek, de bewuste dennenlaan door naar den heuvel bij de heide. Frits had ook nog een klein pakje in zijn hand. Elsje begreep volstrekt niet, waarom hij dat meenam en wat het bevatten kon—het was een bruin papieren pakje en zij keek er een paar malen nieuwsgierig naar, maar durfde toch niet vragen, wat er in het papier was. Zij voelde zich weer vervelend verlegen en weinig op haar gemak. Het was onuitstaanbaar, en als Frits nu maar wat meer gepraat had en er niet zoo ernstig had uitgezien, juist alsof hij nog wat boos op haar was, zou ze wel gauw wat minder geagiteerd geworden zijn, geloofde ze. Nù was ze heel blij, toen ze het heuveltje beklommen hadden en de heide zich in al hare pracht van geur en kleuren voor hunne oogen uitstrekte.
“Hier ga ik zitten,” zei Elsje, terwijl ze zich neervlijde tegen de zachte glooiing van den rand der heide.
“Dus dat beteekent dat ik verder mijn heil moet zoeken?” vroeg Frits lachend. “Of is daar heusch plaats voor twee?”
“Natuurlijk wel.”
“Zit je gemakkelijk?” vroeg Frits weer, met zijn elleboog onder het hoofd, in liggende houding voor zich uitkijkend en met zijn boek nog ongeopend naast zich op den grond. Elsje sloeg met ijver de bladzijden van het hare om.
“O ja, heel gemakkelijk,” zei ze, zonder op te zien, hoewel ze heel goed voelde dat Frits haar aanzag.
“Wat lees je op ’t oogenblik?” vroeg hij even later, zonder zijne oogen van haar gezicht af te wenden, dat beurtelings bleek en rood werd, tot Elsje’s diepe ergernis.
“Nu, wat lees je? Het is zeker een erg mooi gedeelte van het boek,” begon hij weer. “Je bent er zoo in verdiept.”
Elsje zou niet hebben kunnen antwoorden op die vraag, al had zij ook nog zoo graag gewild. Zij wist niet wat zij las, heelemaal niet en zij vond dat het zoo niet langer uit te houden was en ongeduldig opspringend, riep zij uit:
“Ik ga nog even een eind loopen. Het is hier zoo... zoo benauwd, vind ik.”
“Benauwd?” riep Frits verwonderd, terwijl hij eveneens opsprong. Maar niettegenstaande zijn verbazing over Elsje’s woorden, scheen hij het zelf ook opeens wat “benauwd” te krijgen. Hij zag er ten minste niets koel en kalm uit, toen hij voor Elsje ging staan en haast fluisterend vroeg:
“Wil je mij je horloge nog eens laten zien?”
Met een zucht van verlichting dat de vraag zoo gewoon was, haalde Elsje het horloge te voorschijn. Frits hield het even in zijn hand, toen vroeg hij dringend:
“Wil je me voorlezen, wat er op staat, Roodkapje?”
Elsje maakte het kettinkje los en hem het horloge nog eens overreikend, zei ze:
“Lees het zelf maar, het staat er duidelijk op.”
Hij keek haar even zwijgend aan, toen zei hij langzaam:
“Ik wou veel liever dat jij het deedt.”
“O, heel goed,” antwoordde ze met gemaakte luchthartigheid. “Er staat: ‘Aan mijne lieve kleindochter.’ Aardig van grootmama, he?”
Frits vond het zeker bizonder aardig, maar hij liet er zich toch niet over uit. Zijne oogen stonden heel ernstig, terwijl hij toezag, hoe Elsje haar kettinkje met bevende vingers weer vastmaakte; toen greep hij hare beide handen en vroeg:
“Wil je dat wezenlijk zijn, Elsje? Wil je grootmama’s kleindochter worden in werkelijkheid?”
“Hoe...hoe dan?” vroeg ze angstig.
“Begrijp je dat niet?” vroeg hij snel, maar op hetzelfde oogenblik zag hij dat zij het wèl begreep. Er kwam een glans van geluk in hare oogen en een gloed over haar gezichtje, die hem duidelijk zeiden, wat haar antwoord zou zijn op zijn vraag en toch herhaalde hij ongeduldig:
“Wil je, Elsje, wil je?”
“Cécile...” stamelde ze, “ik dacht dat Cécile en jij...”
“Dacht je dat?” vroeg hij, erg verbaasd. Toen vervolgde hij langzaam: “Maar nu weet je wel beter, he? En wil je me gelukkig maken? Wil je mijn vrouwtje worden, Elsje? Zeg toch wat; wil je, wil je?”
“Ik wil wel,” zei ze, niet zacht en verlegen, niet half coquet en aarzelend, maar met een heldere stem, duidelijk en vast en met een reine, vrome liefde in de oogen.
Een oogenblik later zei Frits, terwijl hij met een vroolijk gezicht het pakje te voorschijn haalde, dat Elsje’s nieuwsgierigheid had opgewekt:
“Ik heb van ochtend een cadeautje voor je gekocht in het dorp. Wil je het van mij aannemen?”
“Als het mooi is,” zei Elsje lachend. Zij maakte het touw los, vouwde het papier open en hield toen een rood wollen kapje in de hand, precies gelijk aan dat, waarmee Frits haar het eerst gezien had.
“Dank je wel,” zei ze. “Hoe aardig!”
“Laat ik het je nu eens even opzetten,” zei Frits, haar den hoed van het hoofd nemend. “Zoo, eerst moet al dat springerige haar goed glad gestreken worden. Neen, laat mij maar begaan, ik kan er best mee terecht. Ziezoo, het past je uitstekend! Kijk me nu nog eens goed aan, dan kan ik zien, of het heusch goed zit.”
Zij zag hem aan en kreeg een kleur voor de uitdrukking, die ze in zijne oogen las.
“Ja juist, zóó moet je ook kijken, als wij straks bij grootmama komen,” zei hij. “Neen, neen, je houdt het kapje op; ik zal je hoed wel dragen en je boek ook. Ziezoo, geef mij nu een arm. Wat zal grootmama blij wezen!”
“Denk je dat heusch?”
“Denk ik dat heusch? Ja mevrouw Frits d’Ablong, dat denk ik wezenlijk. Neen, krijg nu maar niet weer een kleur! Of ja, doe het toch maar wel: het staat je niet kwaad.”
Zij waren niet heel ver van huis, maar wat duurde die wandeling lang! Zij hadden zooveel te bespreken samen, zooveel, en Elsje had van allerlei te vragen.
“Line mag toch zeker op onze bruiloft komen, he Frits? En weet je wat ik zoo graag zou willen? Dat we heel gauw eens samen een bezoek maakten bij dien kruidenier, je weet wel, in dien winkel, waar ik toen ’s nachts heb geslapen, jaren geleden met die akelige partij. Tante wou nooit dat ik er weer heenging, maar jij vindt het toch goed, he?”
Frits vond alles goed. Zij zouden een visite maken bij den kruidenier en het dorp gaan bezoeken, waar Elsje was geboren en zoo lang had gewoond en Elsje zou hem de oude plekjes wijzen, waar zij als kind zooveel had gewandeld en zij zouden heel gauw trouwen, als grootmama en tante het goed vonden en alles zou even heerlijk en prettig wezen.
“Grootmama, Roodkapje wil mij wel hebben,” zei Frits, toen zij eindelijk bij de oude dame stonden, die al lang naar hen had uitgezien. Zij wist al sedert weken dat Frits Elsje tot vrouw verlangde.
“Mijn lief kleindochtertje,” zei ze, Elsje in de armen sluitend. Toen, met een vroolijk lachje:
“Wel, nu ben je heusch Roodkapje! Hoe komt dat?”
“Dat heeft ze aan mij te danken,” zei Frits met trots. “Kijk, daar bloost ze alweer! Zij is bepaald een beetje bang voor me, grootmoeder. Niet kwaad, he?”
“Och wat, ik ben heelemaal niet bang voor je!” zei Elsje verontwaardigd.
“Ook nooit geweest?” plaagde Frits. “En gisteravond dan?”
“Ik ga terstond naar mijn kamer als je zoo onaardig bent,” zei Elsje. “Gaat u dan mee naar boven, grootmama?”
“Wel neen, daar denkt grootmama natuurlijk niet aan. Je bent mij nu gehoorzaamheid verschuldigd en moet doen, wat ik zeg. Kom maar gauw hier, dan zal ik je je roode kapje afzetten. Ik geloof dat dat je zoo brutaal maakt.”
“Ik kan het zelf wel,” zei Elsje, het kapje losmakend en de kamer uitloopend naar boven naar haar kamer. Zij had behoefte eens even alleen te zijn met haar geluk en er God voor te danken.
“Wat ben ik blij voor je, mijn jongen!” zei grootmama, toen ze met Frits alleen was gebleven.
Iedereen scheen blij te wezen met Elsje’s engagement, merkte zij met vreugde op. Hare tante was uitbundig in hare betuigingen van blijdschap en zelfs Cécile beweerde dat zij het erg aardig vond dat die twee “echte buitenmenschen” het samen eens waren geworden.
“Je bent zeker zoo vervuld geweest van je engagement, dat je het heelemaal niet vreemd vond dat mama en ik plotseling voor twee dagen uitgingen,” zei ze tot Frits aan den avond van den dag, waarop mevrouw d’Ablong en zij teruggekomen waren.
“Grootmama zeide dat alles een verrassing wezen moest,” zei Frits, en ik heb dus heel gedwee naar niets gevraagd. Wij hebben ons erg goed gehouden, is het niet, Roodkapje?”
“Ja, dat dunkt mij ook.”
“Jij moet nu ook maar eens gauw een keuze doen, Cilly,” zei grootmama lachend en met een veelbeteekenend knikje.
“Dat is niet meer noodig, grootmoedertje, dat weet u wel,” zei Cécile, trotsch het hoofd in den nek werpend. “Het is nu bijna September en over een dag of tien wordt mijn engagement publiek.”
“O Cilly, hoe aardig! Maar wat heb je dat prachtig geheim gehouden! En wie is de gelukkige?” vroegen Frits en Elsje te gelijk.
“Mijn aanstaande man is van adel en heeft een buitenplaats even buiten Utrecht,” zei Cécile fier. “Hij heet Victor,—Jonkheer Victor van den Berkenhorst. Je kent hem wel een beetje, Frits.”
“Jawel,” zei Frits peinzend. “Heb ik hem niet ontmoet op dat bal bij mevrouw van Rensen van den winter?”
“Ja, hij ziet er heel knap uit, lang en blond. Hij studeert nog, maar hij is heel gauw klaar. Wij hadden zoo graag ons engagement eerder publiek gemaakt, maar zijn vader is een maand of vijf geleden gestorven en nu wilde zijn moeder liever dat wij tot het najaar wachtten. Mama en ik zijn nu een paar dagen bij haar geweest; zij woont beelderig mooi in Utrecht.”
“Niet zoo prettig als wij wonen zullen, toch zeker,” fluisterde Elsje zacht tot Frits. “Ik vind het zoo heerlijk dat ik mijn verdere leven niet in een stad zal behoeven door te brengen, en dat wij grootmama zoo dicht in de buurt zullen hebben.”
“Als je maar geen last van mij krijgt,” zei de oude
dame lachend. Zij had Elsje’s laatste woorden juist gehoord.
“Daar zijn wij niet bang voor, is het wel Roodkapje?” vroeg Frits.
“Neen, in ’t geheel niet,” antwoordde Elsje ernstig. “Ik ben juist zoo heel dankbaar dat ik grootmama dan werkelijk met recht bij dien naam zal mogen noemen.”
О книге
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Комментарии
Будьте первым, кто оставит комментарий
К этому контенту пока нет комментариев. Начните обсуждение!






