Elsje - Audiolibro Gratis
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk IV. “Elsje” of “Lizzie.”
Hoofdstuk IV.
“Elsje” of “Lizzie.”
“Maar kind, waarom heb je niet even gescheld om het licht te laten aansteken?” zei Elsje’s tante. “Hoe kom je er bij om hier zoo in het donker te blijven staan! Steek even de kaarsen aan op het toilet, Keetje, en leg die kleeren maar op het bed. De jongejuffrouw zal zich vandaag wel alleen kleeden.”
Keetje gehoorzaamde en terwijl ze nieuwsgierig keek naar de “jongejuffrouw,” die er—zooals zij later in de keuken vertelde, “niets jongedamesachtig uitzag met hare dikke, roode wangen,”—vroeg ze:
“Wilt u het gas niet aan hebben, mevrouw?”
“Jawel, dat is goed en vraag dan aan juffrouw Cécile of ze ook even hier komen wil.”
“Ja mevrouw.”
Keetje stak de gaspitten aan, deed de overgordijnen dicht, stookte het vuur wat op en verdween. Het zag er nu vroolijker uit in de kamer, vond Elsje en haar tante keek ook heusch wat vriendelijker. Dit deed haar moed scheppen om te vragen:
“Zou ik mijn eigen jurk niet mogen aanhouden, tante?”
“Neen, Elsje, dat gaat heelemaal niet. Ik wil volstrekt niet dat Miss Piper je ziet in die verschrikkelijke jurk en buitendien zouden Cécile en ik ook onmogelijk den heelen avond naar dat leelijke toilet kunnen kijken. Kom, trek je jurk maar gauw uit. Ik heb geen lust, hier lang bij je te zitten en ik moet er natuurlijk vandaag bij zijn, terwijl je je verkleedt; anders weet je zeker niet, hoe je doen moet.”
Elsje voelde wel dat tegenstribbelen niet zou baten, en begon langzaam, met een bedroefd gezicht, haar jurk los te maken. Terwijl zij hiermee bezig was, werd er aan de deur geklopt en riep de stem van Cécile:
“Mag ik binnen komen, mama?”
“Zeker snoesje, kom maar gauw hier.”
Elsje’s vingers trilden. Als Cécile er nu ook nog bijkwam, was het heelemaal niet meer om uit te houden.—O, kon zij toch maar wegloopen; het was verschrikkelijk! Het schreien stond haar nader dan het lachen en met een klagende stem zei ze:
“Ik kan dat haakje niet los krijgen.”
“Help haar maar eens even, Cilly,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. “Ze treuzelt zoo verbazend.”
Cécile gehoorzaamde, maakte het weerbarstige haakje los, trok Elsje met een ruk de geliefde, roode jurk van de schouders en zei spottend:
“O, o, wat een dikke, roode armen! En die handen! Echte werkmeide-handen! En o mama, kijk toch eens, wat vreeselijk grof vel! Dat wordt bepaald nooit beter; de stumper is er mee geboren.”
“Ik kan wel alleen,” zei Elsje, knorrig Cécile op zijde duwend.
“Hè, wat geeft ze me daar een stomp!” riep Cécile uit, zich boos over den arm wrijvend. “Ik bedank er voor om haar te helpen, mama.”
“Ik heb je hulp ook heelemaal niet noodig,” zei de arme Elsje, buiten zichzelf van ergernis.
“Bedaard wat meisje, bedaard wat!” zei hare tante berispend, “bedenk een klein beetje wie je voor hebt, als ’t je blieft. Kom maar hier bij mij zitten, Cilly lieverd, dan kan ze zien, hoe ze alleen klaar komt. Leg die leelijke jurk nu maar eens eindelijk neer, Elsje, en trek je laarzen uit. Er staan lage schoentjes voor je bij het bed.”
Elsje deed wat haar gezegd werd, terwijl ze uit alle macht slikte om hare tranen in te houden.
“Trek nu die zijden kousen aan,” gebood mevrouw d’Ablong.
De zijden kousen pasten gelukkig en de mooie pantoffeltjes ook, zoodat het eerste gedeelte van Elsje’s toilet spoedig klaar was.
“Ziezoo, wasch je nu eerst maar eens flink.”
Elsje schonk voorzichtig water uit de lampetkan in de groote kom, nam een handdoek en doopte den tip ervan in het water. Zij was op het punt om den natten handdoek naar haar gezicht te brengen, toen Cécile in lachen uitbarstte en riep:
“Maar mama, kijk toch eens! Ze wascht zich met de punt van den handdoek in plaats van met een spons! En hemeltje, wat boent ze zich!” Want Elsje begon in haar drift met den handdoektip stijf en snel over haar gezicht te wrijven.
“Lach haar nu niet al te veel uit, Cilly, zij moet natuurlijk nog allerlei leeren. Er ligt een spons in dat bakje, Elsje; gebruik die een volgenden keer. Kijk, op de toilettafel liggen een kam en schuier; doe nu eerst je haar, voordat je je handen wascht.”
“Mijn haar doen, tante?”
“Ja, dacht je dat je er dat stijve vlechtje in zoudt mogen houden? Maak het maar gauw los en kam het haar goed uit.”
“Een verschrikkelijk leelijke kleur van haar,” merkte Cécile op. “En wat is het akelig glad en sluik! Echt melkboerenhondehaar, vindt u niet, mama?”
“Maar snoesje, hoe kom je aan die uitdrukking?”
“Och, zoo noemen ze zulk haar altijd. Wist u dat niet? Maar mama,” vervolgde ze fluisterend, “wat is ze vreeselijk leelijk, vindt u niet? Hoe is het toch mogelijk, dat zij familie van u is! En dan zoo allernaarst burgerlijk! Ze moet er heel wat anders uitzien, eer ze onze kennissen onder de oogen kan komen!”
“Niet iedereen ziet er even snoeperig uit!” zei mevrouw d’Ablong, terwijl ze Cécile in de kin kneep en een kus gaf. Cilly streek met een tevreden lachje haar krullend haar naar achteren.
“Strik nu dat fluweelen lint netjes om je haar, Elsje,” zei hare tante.
“Noem haar toch als ’t je blieft Lizzie, moedertje,” vleide Cécile. “Dat klinkt heusch zooveel beter.”
“Ik zal het probeeren, lieveling.”
Elsje zweeg. Niets kon haar op dit oogenblik meer schelen. Zij voelde zich zoo ongelukkig dat het haar nauwelijks een vermeerdering van haar leed toescheen, niet bij haar eigen naam te worden genoemd.
“Kind, kind, wat gaat dat onhandig!” zei hare tante. “Heb je dan nog nooit een strik gemaakt? Kom maar eens hier.”
Elsje gehoorzaamde. Mevrouw d’Ablong kamde het “akelig sluike” haar naar achteren en strikte het zwart fluweelen lint om Elsje’s hoofd. Toen probeerde ze een kuif te maken, maar het haar viel weerbarstig neer, glad en slap, zonder eenige elasticiteit.
“Ik moet morgen dadelijk maar eens met je naar den kapper, Els... Lizzie,” zei hare tante. “Misschien kan hij je wat ponyhaar knippen, dat je er een beetje meer presentabel uitziet. We moeten het nu vandaag maar zoo laten. Probeer nu eens of die lichtgroene jurk je past; ja die, met dat teere resedakleurtje. Wat stond jou die altijd beelderig, Cilly; het is eigenlijk jammer dat je dat japonnetje nooit meer draagt.”
“Die kleur wordt nu al weer zoo ouderwetsch,” zei Cécile.
De lichtgroene jurk paste Elsje niet. Hare armen gleden gemakkelijk door de ruim neerhangende mouwen heen, maar de rok was te lang en het lijfje veel te nauw. Met geen mogelijkheid kon de zijden veter, waarmede de jurk dichtgesnoerd behoorde te worden, zoo strak door de vetergaatjes worden getrokken, dat de beide kanten tegen elkaar kwamen en om het middel was het kleedje in het geheel niet vast te krijgen. “Trek toch maar niet meer, mama; zij barst er letterlijk uit,” riep Cécile, schaterend van het lachen.
“Ja, het gaat niet,” zuchtte haar moeder. “Wat moet ze dan in vredesnaam aan! Deze blauwe jurk is niets wijder. Weet jij ook wat?”
“Misschien kan ze die flanellen blouse aan van me! U weet wel, die lichtgele; ik draag haar weinig meer. Mij was ze altijd veel te wijd.”
“O ja, dat kunnen we wel eens probeeren. Och, schel even, lieveling.”
Cécile trok aan het schelkoord en Keetje verscheen weer.
“Haal eens even die crème flanellen blouse van juffrouw Cécile en den blauw-serge rok, die in de kast hangt op haar kamer en ook het zijden ceintuur; dat ligt zeker op je toilettafel, Cilly?”
“Ja, mama.”
De lichte blouse pastte Elsje beter, maar scheen hare roode wangen nog rooder en haar middel nog dikker te maken, door al de ruime rimpelingen en plooitjes, waarmee de stof gegarneerd was. Toch zag zij er niet onaardig uit in haar nieuwe kleedij. De donkere rok werd door Keetje voorzien van een opnaaisel, hing toen netjes en stond, zooals Cécile beweerde, “nog het minst gek.” Het breede ceintuur werd om het middel vastgestrikt en de lange einden beletten te zien, hoe het split van den rok met spelden vast was gestoken; de boord was Elsje veel te nauw.
“Ziezoo, eindelijk klaar,” zei mevrouw d’Ablong met een zucht. “Ga nu eens even daar staan, kind—onder het gas, dat ik goed kan zien hoe alles zit.”
Met een akelig ongemakkelijk gevoel, alsof al hare kleeren van haar af moesten zakken en alsof heur haar heel slordig zat—net of ze pas uit bed kwam en het heerlijk stevige vlechtje nog maken moest—liep Elsje naar het midden der kamer.
Cécile ging naast haar moeder staan en beiden beschouwden haar nichtje met een kritisch oog.
Elsje’s trots kwam boven. Met verhoogde kleur en schitterende oogen, hief ze het hoofd op en keek hare beide kwelgeesten strak aan. De verlegene uitdrukking verdween en hare fiere houding, de glinsterende sterretjes in de blauwe oogen en het werkelijk aardige toiletje misten hunne uitwerking niet.
“Als er nu nog een aanmerking komt, doe ik terstond mijn eigen jurk weer aan,” besloot ze bij zichzelf.
“Ze ziet er werkelijk iets beter uit,” zei mevrouw d’Ablong tot Cécile, “vindt je ook niet?”
Cécile antwoordde niet dadelijk, maar bekeek Elsje nog eens, met tergende langzaamheid. Toen zei ze:
“Ja, wel iets.”
“Kom Elsje, ga dan nu maar mee....”
“Toe mama, neem haar nu toch wezenlijk liever Lizzie. Iedereen zal denken dat u de meid roept als u Elsje zegt.”
“En toch blijf ik zoo heeten,” zei Elsje, zeer gedecideerd.
Cécile keek haar spottend aan.
“Och kind, stel je niet zoo aan, als ’t je belieft, he!” zei ze op minachtenden toon. “Kom mama, zullen we nu eindelijk naar beneden gaan? Missy is al zoo lang alleen.”
Zij opende de deur voor mevrouw d’Ablong, volgde haar en keek niet meer naar Elsje om.
“Kom Lizzie!” riep hare tante, toen ze op het portaal bemerkte dat Elsje in de kamer was achtergebleven.
Stokstijf bleef het kind staan, waar zij stond. “Tante roept mij niet!” mompelde ze boos.
“Lizzie, Lizzie, kom dan toch!” klonk het weer. “Ga nu gauw mee naar beneden!”
Elsje verroerde zich niet. Zij werd hoe langer hoe koppiger. “Alles wil ik verdragen,” dacht ze met een hart vol bitterheid, “maar mijn eigen naam zullen ze me niet ontnemen.”
“Ga jij maar vast naar de zaal, Cilly,” hoorde zij mevrouw d’Ablong zeggen. “Ik kom dadelijk.”
Elsje’s hart begon sneller te kloppen, toen ze haar tante weer binnen zag komen.
“Wat beduidt dat, dat je me te vergeefs laat roepen?” vroeg ze streng.
Geen antwoord. Het meisje stond nog steeds op dezelfde plek, onbewegelijk als een beeld.
“Kom, antwoord me,” hernam mevrouw d’Ablong driftig. “Waarom kwam je niet, toen ik je riep?”
“U hebt mij niet geroepen.”
“Heb ik jou niet geroepen?” En Elsje’s tante keek verbaasd. “Wie anders?”
Elsje haalde met een verlegen lachje de schouders op.
“Lizzie,” zei ze.
“En wist je dan niet dat jij daarmee bedoeld werdt, mal kind? Ben je nog zóó dom?”
“U weet heel goed dat ik Elsje heet naar mijn lieve, lieve grootmoeder,” zei ze, in tranen uitbarstend. De gedachte aan haar grootmoeder was haar te machtig.
Mevrouw d’Ablong zweeg. Weer gleed, evenals daareven in het rijtuig, een flauw blosje over hare wangen, maar er kwam nu tevens een zachtere, teedere uitdrukking in hare oogen, die haar gezicht onuitsprekelijk aantrekkelijk maakte. Zij sloeg den arm om het snikkende meisje heen en haar naar zich toetrekkend, zei ze:
“Je hebt gelijk kind, je heet Elsje en anders niet en ik zal je ook zoo blijven noemen. Kom, schrei nu maar niet meer. Kijk mij eens aan en laat me eens zien, dat je ook vroolijk kijken kunt.”
Elsje sloeg de betraande oogen op en de ongewoon zachte uitdrukking op het gezicht van mevrouw d’Ablong ziende, vroeg ze zacht:
“Mag ik u een kus geven?”
Tot eenig antwoord trok haar tante haar dichter naar zich toe en kuste haar. Toen liet ze haar los en zei:
“Zullen we dan nu naar beneden gaan, Elsje?”
“Ja,” knikte het kind. “En.... en.... ik zal heusch mijn best doen, tante.”
“Dàt hoop ik. Je moet maar goed opletten hoe Cilly zich gedraagt; zij heeft zulke bizonder elegante manieren.”
Elsje zweeg. Waarom moest hare tante nu ook dadelijk weer Cécile er bij halen? Maar het was waar—zij zag er erg deftig uit en alles ging haar zoo gemakkelijk en natuurlijk af! Dát had Elsje dadelijk wel gevoeld, dat er een groot verschil bestond tusschen haar nichtje en haar, niet alleen omdat Cécile donker haar en donkerbruine oogen had en zoo beelderig mooi gekleed was, maar vooral ook omdat ze zulke lieve, bevallige manieren had, zoo netjes liep en zoo rechtop en met kleine, aardige pasjes en omdat ze duizend kleinigheden geleerd had, waarvan Elsje niets afwist en ook, och zoo bitter gaarne, niets weten wilde. Ze voelde zich vandaag zoo akelig linksch en lomp en ze had zulke nare, gloeiende wangen! Al die vreemde kleeren zaten haar ook zoo ongemakkelijk en ze had net een gevoel, alsof het lint om heur haar afzakte,—wat hing dat ook vervelend los in haar nek, zoo warm en slordig. Had zij haar stijf, glad vlechtje nu tenminste ook maar mogen behouden!
Ze streek onhandig een weerbarstig lokje weg, toen mevrouw d’Ablong de deur der zaal opende en zei:
“Dit is mijn nichtje, Missy. Gij kunt u met haar in het Hollandsch spreken oefenen, Engelsch moet zij nog leeren.”
Cécile’s gouvernante, Miss Piper, stond langzaam op van haren stoel bij den haard en bleef bedaard staan wachten, tot Elsje bij haar zou komen om haar een hand te geven.
Cécile zat aan den anderen kant van het vuur op een lage, sierlijk gedrapeerde tabouret en keek met een spottend lachje op, toen hare moeder met Elsje binnen kwam.
Bedremmeld bleef het kind bij de deur staan, totdat mevrouw d’Ablong haar bij de hand nam en naar Miss Piper toebracht.
“Mijn nichtje, Miss Piper,” herhaalde Elsje’s tante. “Gij zult gauw goede vrienden met haar worden, hoop ik. Zij kan nog heel veel van u leeren. Kom Elsje, geef Missy een hand.”
”Call her Lizzie, please,” viel Cécile in, op beslisten toon.
“Welkom hier, Lizzie!” zei de gouvernante, Elsje’s hand even in de hare houdend. “Ik hoop, wij zullen gauw zijn vrienden.”
Met een dankbaren blik keek Elsje op naar de slanke, geheel in ’t zwart gekleede gestalte en het vriendelijke gezicht met de beschaafde, fijn besneden trekken. Er lag een zachte glans in de grijze oogen, die op haar neerzagen en hoewel zij veel te bedeesd was om iets te antwoorden op het gebroken Hollandsch der Engelsche, dat zoo goed gemeend was, voelde zij zich toch dadelijk tot haar aangetrokken en iets moediger gestemd.
“Ga maar naast Cilly zitten, kind,” zei mevrouw d’Ablong, “wij gaan zoo meteen dineeren; je zult wel trek hebben na de reis. Ja, neem dien stoel maar. Je behoeft er niet zoo voorzichtig mee te zijn; hij is stevig genoeg. Och Cilly, help haar eens even; ze weet niet, hoe ze dien stoel verschuiven moet.”
Cécile stond langzaam op, trok den stoel met een ruk naderbei en zei:
“Daar! Ga nu maar zitten!”
“Cilly darling, how unladylike!” zei miss Piper met een zachte stem.
“Hè neen Missy, niet zoo’n boos gezicht zetten!” riep Cécile, terwijl ze naar de gouvernante toeging en haar zachte wang tegen de hare legde. “Toe, u ziet er veel gezelliger uit, als u zóó kijkt,” vervolgde ze met haar arm om Missy’s hals geslagen en smeekend en een beetje coquet tot haar opziende.
“Kindje, kindje, wees toch zoo opgewonden niet! Dat deugt niets voor je!” zei mevrouw d’Ablong bezorgd.
“Maar mother dear, ik ben niet opgewonden. Wacht eens, ik zal wel maken dat Missy weer in een goed humeur komt.” En met vlugge bevalligheid liep ze naar het andere einde der kamer, ging voor de piano zitten, sloeg met vaste hand een paar accoorden aan en zong toen met jubelende stem een couplet van “God save the Queen!”
Toen ze geëindigd had, keek ze met een vroolijk gezicht om.
“Thank you, darling,” zei Miss Piper.
Cécile bleef bij de piano zitten spelen.
“Ze ziet vandaag toch niet een beetje bleek? En heeft ze in ’t geheel niet over vermoeidheid geklaagd?” vroeg mevrouw d’Ablong aan de gouvernante.
“O neen, volstrekt niet. Ik geloof eigenlijk dat Cécile altijd gezond is, mevrouw.”
“Jawel, wel gezond, maar zij moet zich toch een beetje in acht nemen, vind ik. Ze speelt lief van avond, he?”
“Heel lief.”
Het gesprek werd in het Engelsch gehouden en Elsje verstond er natuurlijk niets van. Dat hinderde haar echter niet erg, want nu behoefde zij er ook geen deel aan te nemen en kon zij ongestoord om zich heen kijken en al de pracht van de rijk gemeubileerde kamer bewonderen. Zij had nog nooit zoo iets gezien; waarheen zij ook keek, overal was het even mooi, vond ze. Voor de hooge ramen hingen, in ruime plooien, donkerroode gordijnen van zacht, zwaar pluche. Een donkerrood, mollig smyrnaasch kleed bedekte den grond, terwijl hier en daar een geelbruin vossevel, of een langharige tijgervacht mooi bij het rood van het tapijt afstak. De makkelijke stoelen, de portière voor de deur, het pluche tafelkleed en de smaakvolle, met goud doorstikte draperieën, over de kleine tafeltjes en boven den spiegel aangebracht, alles was in harmonie met elkaar en met de warme, teere kleuren van de vazen en beeldjes, de kostbare snuisterijen en de teergele en rose zijde der lampekappen, waardoor het licht gedempt en helder tevens heen scheen. Hoeveel groote en kleine lampen waren er wel? Dat moest ze toch eens even tellen! Dan kon ze het morgen aan grootmoeder schrijven. Daar in dien hoek, naast die hooge, fraaibewerkte étagère met boeken, stond een echte reuzenlamp, vond Elsje. Wat was daar een lange, koperen stang aan, net een heel dunne, erg uitgerekte steel! En was die neerhangende, gele kap van echte zijde? Zij had zoo’n fraaien glans en wat hing de breede, doorschijnende kant er prachtig over heen! Als zij gedurfd had, zou ze even opgestaan zijn om die lamp eens van naderbij te bekijken, maar zij was blij dat ze zat en zou voor geen geld de heele kamer door zijn geloopen naar dien verren hoek! Wat viel het licht van dat porseleinen lampje op het tafeltje bij de piano mooi op Cécile’s goudbruin kleedje en op haar krullend haar! En wat speelde zij mooi! En o, wat stond daar in dien anderen hoek een prachtig, wit beeld! Zou dat nu van marmer zijn en zou het heel koud aanvoelen, als ze het met hare vingers betastte? En waarom zou dat vrouwebeeld den vinger zoo waarschuwend tegen den mond houden, alsof het zeggen wou: “Stil, niet spreken, geen leven maken!” Naast dat beeld stond ook al weer zoo’n mooie lamp op een standaard en wat werd die groote schilderij aardig verlicht door het grappige, kleine lampje op een tafeltje, dat Elsje voor een soort van nieuwerwetsche latafel aanzag en dat een sierlijk schrijfbureautje van hare tante was! Van de schilderij kon zij hare oogen niet afhouden. Deze stelde een lichte, opene plek voor in het bosch en het was Elsje, als zag ze in werkelijkheid de teere, groene tinten der wilgen en de zonnestralen, die door de takken speelden. Hé, wat moest het op die plek heerlijk zijn! Zij vergat heelemaal om voort te gaan met het tellen der lampen, zoo was ze in de aanschouwing der schilderij verdiept en ze keek verschrikt op, toen Cécile opeens haar pianospel staakte en vlak aan haar oor zei:
“We moeten eten, Lizzie; ga gauw mee.”
Mevrouw d’Ablong en Miss Piper waren de kamer reeds uit. Elsje sprong snel op.
“Och Cécile, noem mij nu niet weer Lizzie,” zei ze dringend. “Tante heeft zelf gezegd, dat zij mij nooit anders dan Elsje noemen zou.”
“Zoo? Nu, dat moet mama weten, maar ik vind Lizzie oneindig mooier en deftiger en je zult er dus maar aan moeten wennen dat je bij mij Lizzie heet. Zeur nu niet langer en kijk ook niet zoo knorrig. Ik zal je den weg wijzen naar de eetkamer; mama zal niet begrijpen, waar we blijven.”
Elsje volgde haar met een zucht. Zij vond Cécile naar en onhartelijk, maar ze wou toch moedig blijven.
De enkele vriendelijke woorden harer tante en van Miss Piper hadden haar goed gedaan en zij streed dapper tegen het verlangen, om terstond haar eigene kleeding weer aan te trekken en met den allervlugsten trein naar haar grootmoeder terug te keeren. Ze keek verrast op, toen ze met Cécile de ruime eetkamer binnentrad, die aan den tuin gelegen en in het benedengedeelte van het huis was. Stevige, eikenhouten meubelen, een langwerpige tafel met gedraaide pooten en stoelen met hooge, rechte ruggen en groenlederen zittingen, gaven aan het vertrek een geheel ander aanzien dan het salon boven vertoonde. Bruin beschilderde witte tegels in eikenhouten lijsten en enkele blauw-porseleinen borden hingen tegen het goudbruine behang en van een rijke gaskroon viel het licht tintelend en flonkerend in de fijn geslepen wijnglazen, de kristallen messenleggers en zoutvaatjes en het zware zilver op de tafel.
“Komt meisjes, wij zitten te wachten,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. “Hier moet je zitten, Elsje, naast mij.”
Elsje haastte zich plaats te nemen en Cécile ging tegenover haar zitten naast Miss Piper. Een net dienstmeisje stond bij den stoel van mevrouw d’Ablong en gaf de borden rond, terwijl hare meesteres de soep opschepte. Elsje vond het haast jammer dat de aardige, losse bloemschilderingen van het porselein bijna geheel door de dampende soep werden bedekt, maar zij had ergen trek en begon dadelijk te eten, toen het bord voor haar stond.
“Je kunt wel heengaan tot ik schel, Dina,” zei mevrouw d’Ablong.
Dina verdween.
“Mama,” zei Cécile fluisterend, terwijl ze zich over de tafel heen naar haar moeder toe boog, om niet door de gouvernante verstaan te worden,—“zeg toch eens dat ze niet zoo afschuwelijk hoorbaar slikt en die dikke, roode handen wat minder laat kijken.”
Zij had luid genoeg gesproken om door Elsje verstaan te worden. Het arme kind kreeg een kleur, maar zij hield zich goed en at stil door, met hare oogen naar beneden geslagen.
Juist toen ze weer een lepel vol soep aan den mond bracht, legde hare tante hare linkerhand op de hare.
“Let er op, hoe Cilly eet,” zei ze zacht.
Met al te groote haast slikte Elsje de soep door, om te antwoorden en toen ze wat zeggen wou, kreeg ze zulk een hevige hoestbui dat zij er akelig benauwd van werd en de tranen haar over de wangen rolden.
“Hè, wat een vervelend geluid!” zei Cécile. “Je kunt best ophouden, als je maar wilt, Lizzie.”
“Take some water, do,” raadde Miss Piper aan.
“Ja, drink eens, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong ongeduldig. Dat het kind zich nu ook juist verslikken moest en aldoor die roode handen aan den mond bracht, terwijl Miss Piper over haar zat!
Elsje schonk met bevende hand en al kuchend een glas water in uit een klein, elegant karafje dat voor haar bord stond. Haar hand schudde en het water viel zoo hortend en stootend in het glas, dat dit overliep en zich een smal stroompje op het tafellaken vormde.
“Kind, wat ben je ook onhandig!” fluisterde mevrouw d’Ablong wrevelig. “Bel eens even, Cilly, als ’t je blieft.”
Cécile drukte op het knopje der zilveren tafelschel en Dina kwam binnen.
“Maak dat eens even een beetje schoon,” zei mevrouw d’Ablong met een blik naar het drijvende stroompje, dat hoe langer hoe breeder werd. “Je kunt meteen de borden wel wegnemen.”
Dina gehoorzaamde handig en vlug, terwijl Elsje met een kleur van agitatie weer aan haar soep begon. De anderen hadden de borden reeds leeg; zij vond het verschrikkelijk alleen te zitten eten, met de spottende oogen van Cécile strak op zich gevestigd.
Het dienstmeisje bleef aarzelend wachten; zij zag dat hare meesteres ongeduldig werd en durfde toch het bord niet weg te nemen, terwijl Elsje nog at. Het arme kind zou met plezier de rest van haar soep onaangeroerd hebben gelaten, als zij maar gedurfd had.
Eindelijk was zij bijna klaar en hield het bord schuin om het met den lepel goed schoon te kunnen maken. Maar hare tante, die haar ergenis onmogelijk langer kon bedwingen, kwam driftig tusschenbeide.
“Leg nu je lepel neer, Elsje,” zei ze kortaf. “Neem dat bord weg, Dina; ik begrijp niet, waarom je van middag zoo langzaam bent.”
“Maar ik heb het nog niet heelemaal op, tante,” zei Elsje, om het dienstmeisje te verontschuldigen.
“Neem dat bord weg,” herhaalde mevrouw d’Ablong streng tot Dina, “en geef de jongejuffrouw een ander mes en een andere vork—je hadt moeten zien dat deze geheel nat zijn.”
Dina haastte zich haar verzuim te herstellen en Elsje zweeg bedrukt. Toen het dienstmeisje heengegaan en teruggekomen was, het vleesch en de groenten had rondgediend en weer kon verdwijnen, tot ze gebeld werd om het dessert op tafel te zetten—was Elsje weer tamelijk op haar gemak gekomen en hoewel ze niet veel at, uit vrees van de anderen op haar te laten wachten, smaakten de keurig toebereide spijzen haar toch goed. Zij deed al haar best, zoo netjes mogelijk te eten en keek nu en dan tersluiks naar Cécile om te zien hoe deze mes en vork hanteerde. Elsje vond het vreemd, dat zij haar mes bijna even ijverig gebruikte als haar vork en het was haar heel ongemakkelijk, de vork niet vlak bij de tanden vast te houden—maar zij deed wat ze kon en slaakte een zucht van verlichting, toen ze haar bord had leeggegeten zonder een aanmerking van mevrouw d’Ablong te hebben gehoord.
Het dessert werd opgezet en Dina plaatste naast ieder bord een fraai kommetje van doorschijnend, rood glas, met water gevuld.
Elsje keek er nieuwsgierig naar. Waarvoor zouden die moeten dienen? Wat zag dat water er helder uit en hoe verleidelijk scheen het haar toe er even een klein slokje van te drinken! Ze had zoo’n dorst en het karafje weer ter hand nemen durfde ze niet goed na het ongeluk van daareven. Die mooie kommetjes gebruikten rijke menschen zeker veel in plaats van glazen. Ze liet het stukje witten podding met roode vla nog onaangeroerd op haar bord liggen; ze moest wezenlijk eerst eens even drinken—ze had zoo’n verbazenden dorst! Voorzichtig nam ze het bewuste kommetje in hare beide handen en zette het aan den mond. He, het water was lauw, hoe vreemd en wat smaakte dat naar! Juist wou ze het sierlijke, glazen bakje weer neerzetten, toen Cécile haar aanzag en boos zei:
“Ze kan niet met ons aan tafel eten, mama. Kijk nu toch eens even.”
Elsje schrikte, meende dat ze gemorst had op haar jurk of iets heel onbehoorlijks gedaan en liet in hare verwarring het kommetje uit hare handen glippen. Groote en kleine roode scherven vielen op haar bord, op de tafel en op den grond en met een angstig gezicht keek ze hare tante aan.
“Ik zou maar naar boven gaan, Elsje. Ik vind het heel verdrietig dat je je nog zoo weinig weet te gedragen,” zei mevrouw d’Ablong.
Elsje stond op, waarbij eenige scherven van haar jurk afvielen op den grond. Zij raapte ze snel op.
“Ga nu terstond kind, en laat die dingen liggen.”
Met een bedroefd gezicht en met een haastigen, teleurgestelden blik naar den podding, dien ze nu in ’t geheel niet zou proeven, ging Elsje de kamer uit.
Acerca de
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Comentarios
Sé el primero en comentar
Aún no hay comentarios sobre este contenido. ¡Inicia la conversación!






