Elsje - Free Audiobook
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk VII. “Ik bedank er voor!”
Hoofdstuk VII.
“Ik bedank er voor!”
“En wilt u dan vooral goed op hare manieren letten, mijnheer? Zorgen dat ze wat netter loopt en zoo verder? Ze behoeft juist niet zooveel dansen te kennen, als ze maar wat mee kan doen. Ik ben er op gesteld dat ze een klein beetje meer elegance krijgt en ze wil zelf graag haar best doen, is het niet Elsje?”
“Ja tante,” zei Elsje zacht.
Zij stond met een ernstig gezicht naar den dansmeester te kijken, die zich bereid had verklaard haar een weinig dansles te geven, opdat ze niet geheel onbeslagen op het ijs zou komen ter gelegenheid van de partij van Cécile. De eerste les zou thans een aanvang nemen in de leerkamer, terwijl Miss Piper het toeschouwend publiek zou uitmaken. Elsje was blij dat Cécile het veel te druk had met het leeren van haar rol om naar de dansles te komen kijken.
“Ik zal mijne beste krachten aan de jonge dame wijden, mevrouw d’Ablong,” zei de dansmeester met een sierlijke buiging. “U weet, ik heb groot succès gehad met uwe dochter, verbazend succès bepaald. Zoo iets lichts en elegants en zwevends, zoo uitermate bevallig....”
“O jawel, daar hebt u gelijk in,” viel mevrouw d’Ablong ongeduldig in. “Maar mijn dochter is...”
“Van nature reeds zoo allerinnemendst,” zei de dansmeester met een beleefd lachje.
“Ja juist,” was het antwoord, dat een beetje trotsch en uit de hoogte gegeven werd. “Nu, u weet nu, geloof ik, mijn bedoeling. Dag Elsje, doe goed je best. Dag Missy, ik zal probeeren die kant voor u te krijgen. Dag mijnheer Meudon.”
“Uw dienaar mevrouw,” zei de dansmeester met een tweede buiging.
Mevrouw d’Ablong ging heen en Elsje zuchtte even en ging toen rechtop staan als een kaars. Het was haar aan te zien dat zij zich vast voorgenomen had, haar beste beentje voor te zetten. Maar ook in den letterlijken zin des woords, was dit niet gemakkelijk. De kleine dansmeester kweet zich met groot geduld van zijn taak, maar Elsje vond het verbazend moeielijk, precies te doen wat hij verlangde. “Als u zoo goed wilt zijn, om naar mijn voeten te kijken,” zei hij telkens en heel gehoorzaam keek ze strak naar de keurige, blinkende schoenen van haar onderwijzer. “Vooral het hoofdje recht houden!” riep hij dan weer, waarop Elsje verschrikt gehoorzaamde, zonder hare oogen van de schoenen van mijnheer Meudon af te wenden. “Flink rechtop en de armen niet zoo ver van het lijf. Ziezoo, nu de eerste pas, de derde.... zóó, dat gaat al beter. O, maar u moet geen kromme knieën maken! Ja juist, zoo is het goed. Probeer nu eens op de maat van mijn viool. Een, twee, drie.... een, twee, drie.... een, twee, drie....e, een, twee, drie.... Kijk eens, dat gaat al heel aardig. Wel, wel, wat bent u warm! Eens even rusten?”
“Heel graag mijnheer.”
“Dan zou ik maar een oogenblikje gaan zitten. Hebt u nooit eerder dansen geleerd?”
“Neen mijnheer.”
“Maar dan gaat het heusch al vrij goed. Vindt u ook niet, juffrouw?” vroeg hij, zich tot Miss Piper wendend, die Elsje telkens bemoedigend had toegeknikt, zonder dat deze er iets van gemerkt had.
“Ik versta niet u,” zei Miss Piper. “Ik ben Engelsch.”
“O....” zei mijnheer Meudon teleurgesteld. “Maar u spreekt toch Hollandsch?”
“Heel klein. Het is moeielijk aan mij.”
“Vindt u niet,” begon hij, langzaam en zeer gearticuleerd sprekend, alsof hij met een doove sprak, “dat zij,” en hij wees naar Elsje, “al goed danst?”
“Zij wil gauw leeren, u meent?”
“Ja.”
“Ik hoop zoo,” zei Miss Piper lachend. “Zij heeft alleen juist begonnen.”
“Ja zeker en alle begin is moeielijk,” zei de goedhartige dansmeester, “kom jonge dame, nog maar eens op de maat van de viool.”
Elsje deed al haar best, maar toen de les afgeloopen was, was ze moe en had ze een gevoel dat ze het nooit zou leeren. Met een zucht streek ze zich het lastige ponyhaar van het voorhoofd weg en keek naar buiten in den tuin, waar de regen bij stroomen neerviel en plassen als kleine meren vormde tusschen de vuilwitte sneeuw, die op de bloembedden lag. Het zag er somber uit, alles grauw en vaal met een egaal-grijze doffe tint—“echt weer om heerlijk in mijn kamer te gaan zitten, met den rug naar het raam en het gezicht naar het vuur,” had Cécile ’s ochtends gezegd. De regen viel gestadig neer in dichte, rechte stralen en alles droop van het water; de kale takken van den beuk in den tuin, de glibberige, houten schutting, de klimop langs het tuinhuisje—alles was doornat; het zag er uit, alsof er niet meer water bij kon, zoo doorweekt en drassig. En toch scheen het Elsje heerlijk, om eens even, al was het ook maar vijf minuten, in dien regen te zijn. Zij was nu al een week bij hare tante en het was haar als had ze bijna geen frissche lucht ingeademd in dien tijd. Buiten hare ochtendwandeling, was ze nog maar weinig uit geweest en dan nog steeds met mevrouw d’Ablong en telkens in het rijtuig, omdat het weer “zoo heel ongunstig” was, volgens deze. En er was zooveel te doen voor die partij! Dan weer moest Elsje haar rol van dienstmeisje instudeeren, dan weer gepast worden, want zij kreeg werkelijk ook een baltoiletje, dan weer vermaningen aanhooren, hoe ze zich gedragen moest, of zich het haar op verschillende wijzen laten kappen door Keetje, opdat zij toch vooral op Cécile’s feest niet te “boerinne-achtig” voor den dag zou komen. Bijna den geheelen dag was men met haar bezig, om haar te fatsoeneeren en te kneden naar één model, dat van Cécile, op wie zij toch in de verste verte nooit zou gelijken, zooals mevrouw d’Ablong herhaaldelijk met een trotsch lachje verzekerde. Het begon Elsje te vervelen, o zoo erg soms, en als hare grootmoeder haar niet telkens zoo opgewekt en bemoedigend had geschreven en als zij niet steeds had gedacht: “Na de partij mag ik weer naar huis”,—zou zij zich zeker niet zoo geduldig en gehoorzaam hebben kunnen gedragen.
Van de merkwaardigheden van de stad had ze nog weinig of niets gezien. “Als Cécile’s partij voorbij is, kan Miss Piper wel eens met je uitgaan, die weet uitstekend den weg,” zei mevrouw d’Ablong, toen Elsje het eens waagde te vragen, of ze eens wat van de stad mocht gaan zien, “alleen laat ik je niet weer uitgaan, dat spreekt van zelf.”
En nu, terwijl de regen tegen de ramen kletterde, snakte het kind er letterlijk naar, om dien ook op hare wangen te voelen, om den frisschen, woesten wind met hare haren te laten spelen, om er zich door te laten voortzwiepen tot ze hijgend stil moest staan, zooals ze dat zoo dikwijls gedaan had, lachend en vroolijk, op den verlaten straatweg buiten haar dorp, met geen andere getuigen dan de enkele boomen, die het hoofd schenen te schudden over den dartelen, onbeschaamden wind.
Zij haalde eens diep adem, terwijl Miss Piper ernstig naar haar keek en zich afvroeg, waarom hare oogen zoo schitterden en ze zoo ongeduldig met den voet op den grond stampte.
”Poor child!” zei de gouvernante bij zichzelf. Toen, naar Elsje toegaande en de hand op haar schouder leggend, vroeg ze:
“Wat is het, Elsie?”
Cécile was de eenige in huis, die haar nog “Lizzie” noemde. Miss Piper deed haar best, Elsje te zeggen, ten volle bereid haar genoegen te doen.
Elsje keek verschrikt om. Gehoor gevende aan een opwelling van teederheid, trok de Engelsche haar naar zich toe en herhaalde hare vraag.
“Ik zou zoo vreeselijk graag eens wandelen gaan,” zei Elsje.
“Wandelen? In dit weer?”
“Ja, ja, in dit weer!” riep Elsje, zich losrukkend, op opgewonden toon. “In dit weer! En in mijn eigen jurk, zonder parapluie en op een ruime, opene plek, waar men de wolken zien kan, de zware, donkere wolken, en waar men den regen en den wind nog erger voelt dan in de stad en ... waar men aan geen mooie manieren en rijke kleeren en al wat stijf is behoeft te denken! En waar men het mooist kan zien, hoe de lucht langzaam helderder wordt met lichte strepen en heel kleine, lichtblauwe vlekjes en waar ....”
“Lieve tijd Lizzie, wat bezielt je? Staat ze nu al te acteeren, Missy?” klonk opeens de stem van Cécile, die ongemerkt binnen gekomen was. “Dat is anders nu nog niet noodig. Bewaar dat maar voor van avond, dwaas kind.”
”For shame, Cilly,” zei Miss Piper berispend. ”Why can’t you be kind to your cousin?”
Cécile haalde de schouders op, terwijl Elsje, zonder een woord te zeggen, haastig het vertrek verliet. Haar gemoed was vol. Driftig liep ze naar boven naar haar kamer en de deur vrij onzacht dichtslaande, riep ze uit:
“Ik kan het hier niet langer uithouden! Ik moet weg, zoo gauw mogelijk! Niemand houdt van me hier en niemand heeft me noodig! En ik verlang zoo verschrikkelijk naar grootmoeder!”
En de handen voor het gezicht slaande, viel ze neer op een stoel en barstte in tranen uit.
“Ik word hier slecht,” snikte ze, “heel, heel anders dan thuis. En ik ben hoe langer hoe laffer! Telkens die akelige tranen en dat nare, benauwde gevoel in mijn keel. Ik wou dat ik hier nooit gekomen was—nooit, nooit! Och, waarom wou grootmoeder ook zoo graag dat ik hier heen ging? Ik hoor hier niet, ik doe letterlijk nooit iets goed en tante schaamt zich over mij... en die akelige Cécile... och, grootmoeder, grootmoeder!”
Zij gleed van den stoel af, knielde er bij neer en bleef zoo zacht voortschreien.
Eindelijk bedaarde hare droefheid wat en de handen vouwend, bad ze eenvoudig en ernstig: “Help mij, lieve Heer, o, help mij toch!”
Toen sprong ze op, waschte haar gezicht, knikte haar beeld in den spiegel vroolijk toe en zei: “Kom Elsje, moed gehouden! Denk aan grootmoeder!”
En met een plotselinge verandering van toon: “O, hoe heerlijk, heerlijk zal het zijn als ik haar weerzie! Hoeveel dagen zou dat nog moeten duren?”
Maar ze hield zich goed en dien middag aan tafel deed ze zoo haar best zich naar de regelen der etiquette te gedragen, dat hare tante haar goedkeurend toeknikte en zachtjes zei:
“Ziezoo Elsje, je begint al aardig aan te leeren. Let vooral altijd goed op Cilly.”
Na den eten reden Cécile en Elsje samen naar het huis van Louise of “Loulou” van Rensen, waar de eerste repetitie plaats zou hebben van het tooneelstukje, dat op de partij moest worden vertoond. Cato en Emmy waren al aanwezig, toen de beide nichtjes Louise’s kamer binnen kwamen, die zich op een der bovenverdiepingen van het groote huis bevond. Mevrouw van Rensen, dezelfde dame, die mevrouw d’Ablong bij het station had aangesproken, was ook binnen. Zij zou naar de voorstelling kijken en hare op- en aanmerkingen ten beste geven. Ze begroette Cécile hartelijk en vriendelijk, maar behandelde Elsje erg uit de hoogte, zei dat ze haar al eens gezien had aan het station, maar eigenlijk niet recht begreep hoe zij familie kon zijn van mevrouw d’Ablong en dat het haar zeker heel vreemd was, zoo’n heel ander leven te hebben hier dan op haar dorp. Elsje antwoordde niet veel en Cécile deed niets om haar uit de verlegenheid te helpen en mevrouw van Rensen op de hoogte te brengen omtrent hare betrekking tot mevrouw d’Ablong, zoodat de avond al dadelijk onaangenaam begon voor Elsje en zij zich geweld aan moest doen, kalm te blijven en haar rol bedaard en prompt op te zeggen, ’s Ochtends in de leerkamer had hare tante haar dit nog eens voor de zooveelste maal laten doen en haar precies gewezen, hoe ze los en ongedwongen, met een stofdoek in de hand, de kamer door gaan moest en opgewekt en levendig spreken. Elsje was hierin werkelijk beter geslaagd dan hare tante had durven hopen, maar nu zij mevrouw van Rensen tot toehoorster had en de andere meisjes met strakke gezichten naar haar stonden te kijken, overviel haar een gevoel van verlegenheid, dat zij niet bij machte was te overwinnen en speelde zij stijf en gedwongen. Zij was blij, toen haar taak verricht was en de anderen aan de beurt kwamen. Niemand zei iets van haar spel, terwijl mevrouw van Rensen uitbundig was in haar lof omtrent het acteeren der anderen en vooral Cécile prees, die een jong getrouwd vrouwtje voor moest stellen en bedrijvig met haar sleutelmandje heen en weer dribbelde.
“Snoesig, vindt u niet?” fluisterde Loulou haar moeder in, terwijl Cécile aan het spelen was. “En dan moet u straks eens opletten, hoe doddig zij er uitziet met dat kapotje!”
“Ja. Het is jammer dat gij niet allemaal al in uw kostuum kunt spelen van avond. Cilly is bijna klaar met haar kleeding, dunkt me.”
“O, maar wij ook. Op de groote repetitie bij Cilly aan huis, kleeden wij ons natuurlijk allemaal geheel zooals ’t moet.”
Daar vloog opeens de deur open en stormden twee kinderen, een jongen en een meisje, de kamer in.
“Mama, mama!” riepen ze tegelijk. “Papa vraagt of u beneden komt, neef Gerard is er en of wij even mochten blijven kijken naar de comedie!”
“Sst.... stil, stil!” zei mevrouw van Rensen, half lachend. Het aardige tweetal, een jongen van 5 en een meisje van 4 jaar, bleef hijgend en met roode wangen naast haar staan. “Gaat maar stil hier zitten,” zei hunne moeder fluisterend, “maar dan heel rustig zijn; dan moogt ge wel even blijven kijken.”
De kinderen gingen naast elkaar op de canapé zitten en mevrouw van Rensen verliet de kamer.
Cécile speelde door alsof er niets gebeurd was en Loulou’s broertje en zusje keken naar haar met onverholen belangstelling. De “comedie” scheen hun echter niet mee te vallen, want nadat zij een paar minuten rustig hadden geluisterd maar niets begrepen, keken ze met groote oogen om zich heen, vol verlangen naar iets, dat hunne aandacht meer blijvend zou boeien.
Elsje had hen met een lachend gezicht gade geslagen, terwijl de andere meisjes in haar werk verdiept waren. Elsje was ook de eenige, wier rol thans geheel was geëindigd en toen het kleine meisje haar zag, wenkte zij haar terstond door onophoudelijk knikken en grappige, animeerende bewegingen met haar handje, om tusschen haar en haar broertje op de canapé te komen zitten.
Elsje liet zich niet lang bidden en er kwam een warm, gelukkig gevoel in haar hart, toen de beide kinderen zich tegen haar aanvlijden en het kleine meisje vertrouwend naar haar opkeek.
“Moet je heelemaal niet meespelen?” vroeg ze, zóó zacht dat Elsje haar onmogelijk verstaan kon.
Zij boog zich dichter naar het roode mondje toe, dat nu vlak bij haar wang de gewichtige vraag herhaalde en haar toen als van zelf, een kus gaf.
“Dat was een presentje! Dat dacht je niet, he?” lachte het kleine meisje vroolijk.
“Ik wil heel graag nog zoo’n presentje,” fluisterde Elsje, terwijl ze haar hand over het zachte, blonde haar van het kind streek.
“Wat! Wat voor presentje?” vroeg de kleine jongen nieuwsgierig, die in het geheel niet op zijn zusje geleek, maar donkerbruin haar en groote, bruine oogen had.
“Niet zeggen, niet zeggen!” zei het meisje, maar Elsje kon den vragenden blik van haar aardigen, kleinen buurman niet weerstaan en hem een kus op de ronde wangen drukkend, zei ze:
“Dàt presentje! Bevalt het je?”
“Gunst Lizzie, je let heelemaal niet op!” riep Loulou opeens scherp. “Toe kinderen, gaat nu maar weer naar beneden; het is hoog tijd voor jullie om naar bed te gaan. Wat bezielt de juffrouw toch dat ze jullie heelemaal vergeet!”
“We mochten vandaag laat opblijven om de comedie!” riep haar zusje triomfantelijk.
“En we zitten hier nu net zoo gezellig!” riep het broertje.
Een algemeen gelach volgde, maar Louise bleef onverbiddelijk. Zij stuurde de twee kinderen de kamer uit, riep aan de trap: “Juffrouw, komt u Liesje en Tom halen?” en deed toen de deur dicht.
“Hè Lou, hoe wreed!” zei Emma medelijdend.
“Nu ja, maar die kinderen blijven vandaag veel te laat op en als we hen nu nog langer hier hadden gehouden, waren ze hoe langer hoe lastiger geworden. Toe, laten we nu maar gauw nog eens repeteeren. Kom Lizzie, sta nu op van die canapé en begin te spelen.”
Elsje gehoorzaamde. Louise, Cécile en Cato gingen op de canapé zitten, dicht bij elkaar, met spottende gezichten, alsof zij afgesproken hadden, nu eens flink om Elsje te gaan lachen. Emma bleef bij haar staan met het boekje in de hand, om haar voort te helpen als zij haperde en Elsje begon te spelen.
Het ontging haar natuurlijk niet dat de drie meisjes op de canapé zich vroolijk om haar maakten. Zij giegelden en fluisterden onophoudelijk onder elkaar, maar hoewel haar bloed begon te koken, hield zij zich goed en liet zich niet van haar stuk brengen. Zooveel mogelijk haar best doende niet op de plaaggeesten te letten, speelde zij door, totdat Cécile opeens proestend en met tranen in de oogen van het lachen, uitriep:
“Lieve tijd Lizzie, wat speel je stijf en houterig; ik geloof dat je het met opzet doet om ons te ergeren!”
“Neen, heelemaal niet!” riep Elsje, terstond uit haar rol vallend en met een kleur van verontwaardiging. Ze spande zich echter met waren heldenmoed in, om zich dapper te houden en vervolgde haar spel. Emma schudde afkeurend het hoofd tegen hare vriendinnen, maar zij letten er niet op.
“Zeg Cilly, hoe kom jij toch aan die boerin tot nichtje?” fluisterde Cato, den zakdoek voor den mond houdend en terstond weer proestend van het lachen.
“Hardrood zijn haar wangen en geel is heur haar!” zei Louise, bijna overluid en op een toon, alsof ze een vers reciteerde. “Wanneer gaat ze eigenlijk weer weg, Cilly?”
“Ik geloof dat ze na de partij naar haar lieflijk dorp teruggaat,” antwoordde Cécile op alles behalve fluisterenden toon.
Nu was Elsje’s geduld ten einde. Zonder het te willen, had zij wel moeten hooren, wat er gezegd was en met fonkelende oogen, driftig, geheel buiten zichzelf, riep ze uit:
“En ik wou dat ik dadelijk terug kon gaan, van avond nog, nu, terstond! Ik wou dat ik nooit, nooit hier gekomen was in die nare, groote stad en bij jullie, die .... die .... heelemaal geen gevoel hebt! Ik wou dat ik bij mijn grootmoeder was gebleven .... die is zoo engelachtig voor me, als jullie je heelemaal niet kunt voorstellen! En ik wou dat ik weer in mijn lieflijk dorp was, Cécile, want dat is het, je hebt gelijk dat je het zoo noemt, het is er heerlijk! En ik wou dat ik weer buiten kon wandelen in de frissche, heerlijke lucht en langs de hooge boomen en over onze mooie heide—alleen, alleen met den ruimen, prachtigen hemel boven me en al die plechtige stilte om me heen! Alleen, zonder al die rare, opgeprikte menschen, zonder al die mooie kleeren en zonder jullie, die zoo’n verschrikkelijken hekel aan me hebt! O, ik wou dat ik weg kon dadelijk, dadelijk! Maar jullie zult nu geen last meer van me hebben! Ik bedank er voor om met jullie comedie te spelen! Ik ga naar huis, speelt maar alleen!”
En met bevende lippen en ijskoude handen, maar met het hoofd fier in den nek geworpen—ze wilde niet schreien—snelde ze de kamer uit.
“Mijn hemel, wat een burgerlijk, aanstellerig kind!” zei Cato, toen Elsje verdwenen was, maar de anderen, ook Cécile, zwegen beschaamd en Emma keerde zich om, om niet te laten zien dat zij tranen in de oogen had.
“Ze kan toch onmogelijk alleen naar huis gaan,” zei Louise, na eenige oogenblikken van algemeen stilzwijgen. “Ze weet zeker den weg niet, wel Cilly? En het regent ook zoo!”
“Ik denk dat ze wel weer terug zal komen,” zei Cécile. “Ze zal veel te bang zijn dat mama boos op haar is, als ze zoo opeens thuis komt. Laten we maar stil afwachten, wat zij doet; ik geloof nooit dat ze zonder mij weg zal gaan en buitendien weet ze ook heelemaal niet, hoe ze loopen moet.”
“Zal ik eens even gaan zien, waar ze gebleven is?” vroeg Emma. “Hè, waarom moesten jullie haar nu ook zóó plagen! Laat ik maar eens gauw gaan zoeken...”
“Neen, neen, neen!” viel Cécile haastig in. “Blijf stil hier, Emma, dan komt ze bepaald veel gauwer terug.”
Intusschen was Elsje, met het vaste voornemen het huis uit te loopen, de trap afgegaan. Op een der onderste treden struikelde ze en viel. Ze deed zich gelukkig in ’t geheel geen pijn en wilde juist weer opstaan, toen in hare nabijheid een deur langzaam en met moeite werd geopend en een kleine gestalte in een wit nachtjapontje op den drempel verscheen. Twee aardige, bloote voetjes trippelden naar Elsje toe, een zacht handje werd tegen haar wang gelegd en een vleiend stemmetje vroeg:
“Heb je je pijn gedaan? Wat viel je met een bons! Ik hoorde het heelemaal.”
“Liesje, Liesje, kom gauw hier, kindje! Niet op dat koude portaal!” riep een stem uit de kamer, waarop Elsje’s vriendinnetje terugriep: “Ja, ja, ik moet even helpen!”
“Of kan je wel alleen opstaan?” vroeg ze, toen Elsje snel opsprong, “Kom maar gauw even mee naar binnen; juf zal je wel weer beter maken, die is heel lief.”
En Elsje’s hand pakkend, trok ze haar snel met zich mee in de kinderkamer, waar haar broertje al te bed lag en een vriendelijke kinderjuffrouw Elsje lachend toeknikte.
“Liesje is altijd vol ijver om iedereen te helpen,” zei ze. “Kom vrouwtje, nu gauw in bed. Het is toch al zoo erg laat geworden van avond.”
“Kom je ons goeden nacht zeggen?” riep Tom vanuit zijn ledikantje.
Elsje antwoordde niet. Het was haar alsof ze droomde. In een opgewondene, driftige stemming, met een diep ongelukkig gevoel in haar hart, was ze zooeven de trap afgekomen en nu stond ze daar plotseling in een warme, vroolijke kamer en drie gezichten keken haar vriendelijk en vol belangstelling aan. Liesje zette een stoel voor haar bij de tafel en dribbelde toen met een grappig, bedrijvig air naar de juffrouw toe, fluisterde deze iets in en lachtte tevreden, toen zij zei: “Ja, dat mag wel, maar dan ook terstond naar bed hoor!”
Het kleine meisje schoof vlug een tabouret bij den schoorsteen, klauterde er op en haalde een doos te voorschijn, waarmee ze terstond naar Elsje toeliep.
“Wil jij dit even open maken?” vroeg ze. “Kijk maar eens, wat er in is.”
Elsje opende de doos en zag een stuk chocolade liggen, dat blijkbaar een deel had uitgemaakt van een sinterklaas-letter.
“Dat ziet er erg lekker uit,” zei ze. “Is dat van jou, Liesje?”
“En van Tom,” zei Liesje. “Proef er maar eens van.” “Neemt ze het heele stuk?” riep Tom vanuit zijn bed. Het scheen hem wat heel royaal toe, alles aan Elsje af te staan.
Liesje liep haastig naar zijn bed toe en haar hoofdje naast het zijne op het kussen leggend, fluisterde zij hem iets in, dat blijkbaar zijn goedkeuring niet geheel wegdroeg, want hij schudde met groote levendigheid van neen en betuigde bovendien nog:
“Dat wil ik niet, heelemaal niet, hoor.” Liesje bedacht zich even, toen fluisterde zij hem weer iets in en nu kwam hij blijkbaar tot andere gedachten.
“Mag ik er dan den heelen dag mee spelen en kom jij er dan heelemaal niet aan?” vroeg hij.
Zij knikte bevestigend en toen riepen ze tegelijk, Liesje met een erg blij gezichtje:
“Je moogt het heele stuk chocolade nemen; het is heelemaal voor jou.”
“Neen,” zei Elsje, die evenals de juffrouw, lachend naar de beide kinderen gekeken had, “dat is veel te jammer, dan blijft er niets voor jullie over.”
“Jawel, jawel, je moet het nemen, heusch,” zei Liesje, terwijl ze naar Elsje toekwam en een laatsten, niet geheel ongevoeligen blik op de lekkernij wierp. “En nu ga ik naar bed.”
En terwijl Elsje bij haar neerknielde, sloeg ze de armpjes om haar hals en zei: “Nacht....” Toen plotseling zichzelf in de rede vallend met een vroolijken, reinen lach, die Elsje als muziek in de ooren klonk, “maar ik weet nog niet eens, hoe je heet!”
“Ik heet Elsje.”
“Elsje? Wat aardig! Nacht Elsje....” en met haar zachte wang tegen die van hare nieuwe vriendin, fluisterde ze: “Neem je het nu heusch wel heelemaal? Toe, doe je het?”
Elsje drukte haar vaster tegen zich aan. “Kleine schat!” zei ze zacht. “Ja, ik zal de chocolade nemen, hoor en ik dank je heel, heel hartelijk.”
“En Tom ook,” zei Liesje, hare armen losmakend.
“Ja zeker, Tom ook. Ik dank jou ook hartelijk voor die heerlijke chocolade, Tom,” riep Elsje.
“Tot je dienst,” riep Tom wijs terug.
Nu was Liesje’s hart eindelijk gerust en liet ze zich gewillig door de juffrouw overdekken en toestoppen.
“Blijf je nog een beetje hier in de kamer?” vroeg ze toen aan Elsje.
“Neen, neen, ik moet nu dadelijk weer naar boven,” zei Elsje snel. Haar drift was verdwenen, zij schaamde zich zelfs een beetje over haar uitval van straks en was nu vast besloten, weer naar de andere meisjes toe te gaan. Het aardige tooneeltje op de kinderkamer had haar in een geheel andere stemming gebracht. Kom, ze moest weer moedig zijn, zich niet zoo gauw van haar stuk laten brengen—het was toch ook alles maar voor een tijd!
Ze nam haastig afscheid van de kinderjuffrouw en Tom en Liesje en ging toen, wel met een kloppend hart, maar uiterlijk zoo bedaard als haar mogelijk was, naar Louise’s kamer terug.
Er kwam een zegevierende uitdrukking op Cécile’s gezicht, toen zij binnenkwam en zij keek Emma aan, alsof ze zeggen wou: “Heb ik het je niet gezegd?” Er werd echter geen woord over het voorgevallene gesproken. Louise en Cato waren koel beleefd tegen Elsje, Cécile bemoeide zich niet met haar en Emma durfde niet te vriendelijk te zijn, uit vrees dat de anderen haar zouden uitlachen.
Het stukje werd nog eenmaal gerepeteerd, toen was het tijd om naar huis te gaan.
Tot Elsje’s verwondering zeide Cécile in het rijtuig geen woord over haar uitbarsting van drift. Zij sprak trouwens in het geheel niet en nam geen de minste notitie van Elsje, totdat het rijtuig voor het huis van mevrouw d’Ablong stil hield. “Het zal mij eens verwonderen of grootmama nog op is,” zei ze toen, “misschien is ze al naar bed gegaan, vermoeid van de reis.”
“Zou je grootmama dan vandaag al komen?” vroeg Elsje uit het rijtuig stappend.
“Ja, van avond, terwijl wij uit waren.”
Dus al weer iemand om kennis mee te maken en zich niet mee op haar gemak te voelen, dacht Elsje met een zucht, terwijl ze Cécile in huis volgde. De beide meisjes ontdeden zich van haar hoed en mantel en gingen toen naar de zaal. Cécile liep vlug naar binnen, Elsje volgde langzaam en verlegen.
In een gemakkelijken stoel bij den open haard, met het zachte schijnsel van het lamplicht vallend op haar mooi, wit haar, waarbij het kapseltje van zwarte kant aardig afstak, zat een oude dame met levendige, donkere oogen, die sterk aan die van haar kleinzoon Frits d’Ablong herinnerden. Op haar schoot lag een handwerk van fijne, zachtrose wol en een grove haaknaald van wit been bewoog zich ijverig heen en weer in hare kleine, welgevormde handen. Zij keek terstond op, toen de meisjes binnenkwamen en liet zich met een lachend gezicht door Cécile op beide wangen kussen.
“Zoo Cilly, ben je daar eindelijk?” zei ze met een welluidende stem. “Is dat nu een manier om uit te zijn, als je oude grootmoeder bij je komt! Toe kindje, ga eens even op zij. Is dit nu het dochtertje van je zuster, Lize?” En zij knikte Elsje vriendelijk toe.
“Ja mama,” zei mevrouw d’Ablong.
“Kom eens even bij me, lieve meid,” zei de oude dame. “Ik vind het aardig dat wij ook kennis met elkaar maken. Mijn kleinzoon heeft mij al van je verteld. Kom, geef mij ook maar een kus. Je hebt ook nog een oude grootmoeder, he?”
“Ja mevrouw,” zei Elsje met haar hand in de zachte, warme hand der vriendelijke dame.
“Dan moest je mij ook maar grootmama noemen, zoolang je hier bent. Wil je dat wel?”
“Heel graag,” zei Elsje zacht en boos op zichzelf, omdat ze weer dien onverklaarbaren drang tot schreien voelde.
“Mooi zoo, geef mij dan nu een kus en laat mij je eens even goed aankijken. Ik moet toch weten, hoe mijn nieuw kleindochtertje er uit ziet.”
Zij trok Elsje dichter naar zich toe, kuste haar op de wang, nam haar hoofd tusschen de beide handen en keek haar vriendelijk in de oogen.
“Ziezoo, nu heb ik je portret al in mijn hoofd,” zei ze, terwijl Elsje haar dolgraag nog een kus zou hebben gegeven, als ze maar gedurfd had.
Toen ze zich dien avond te slapen legde, voelde ze zich gelukkiger dan ze nog gedaan had, sedert ze bij hare tante logeerde. Over hetgeen bij Louise van Rensen voorgevallen was, had Cécile thuis niets gezegd.
About
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Comments
Be the first to comment
There aren't any comments on this content yet. Start the conversation!






