Elsje - Free Audiobook
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk III. Gewichtige Veranderingen.
Hoofdstuk III.
Gewichtige Veranderingen.
Spoedig daarop kwam er een kort briefje van mevrouw d’Ablong, waarin zij hare moeder meldde dat zij Zondags over zou komen om Elsje te halen, als zij vóór dien tijd geen bericht ontving, dat de oude vrouw haar kleindochtertje liever bij zich wilde houden. Grootmoeder liet Elsje hierop tot antwoord schrijven dat zij gaarne met haar tante mee zou gaan en een poosje bij haar blijven. Het waren maar enkele regels, maar Elsje vond het toch heel moeielijk, die netjes en duidelijk op het papier te krijgen en zij had een erge kleur, toen het briefje af was en, voorzien van postzegel en adres, gereed lag om naar de post te worden gebracht. Het was haar een pak van het hart, toen de brief eindelijk weg was, maar kalmer werd zij er toen toch niet op en hoe meer het gewichtige uur naderde, waarop zij haar tante van aangezicht tot aangezicht zou aanschouwen, des te ongeduldiger werd zij. Nu eens was ze uitgelaten bij het vooruitzicht allerlei nieuws en moois te zullen zien, dan weer benauwde haar de angst om geheel alleen onder vreemden te gaan—want vreemden waren mevrouw d’Ablong en haar dochter voor haar, al waren zij ook haar eigene tante en nichtje. Het meest van alles zag zij er tegen op haar grootmoeder te verlaten, hoewel de gedachte niet bij haar opkwam, dat deze gedurende haar afwezigheid weer zieker zou kunnen worden. Grootmoeder was nu zoo opgewekt en vroolijk, vond Elsje, en ze zag er ook weer beter uit—zij zou zeker wel gauw heelemaal weer opgeknapt zijn.
Elsje moest maar geen goed meenemen, had haar tante geschreven; zij zou haar wel een en ander leenen,—Cécile’s kleeren zouden haar zeker ook wel passen. “Dan zal ik mijn mooie, roode jurk maar aantrekken op reis, vindt u niet, grootmoeder?” vroeg Elsje, “dan zie ik er dadelijk netjes uit, als ik bij tante kom.”
“Ja, doe dat kind,” zei grootmoeder en toen het eindelijk Donderdagochtend geworden was en mevrouw d’Ablong tegen twee uur verwacht kon worden, was Elsje al heel lang voor dien tijd klaar om hare tante te ontvangen. De strooien hoed met het vuurroode veertje lag netjes gereed op een stoel, met een paar wollen handschoenen en een stevige parapluie. Elsje was geheel reisvaardig, maar zij had toch gedurig een gevoel, alsof ze nog iets vergeten had en onophoudelijk liep ze naar het kleine slaapvertrek om te zien, of zij alles wel goed had opgeredderd en Aafje’s zuster veilig haar nieuwe slaapstede kon betrekken; dan weer trippelde zij naar de keukenkast om te kijken, of alles op zijn plaats stond.
“Och grootmoeder, ik wou toch eigenlijk maar veel liever niet gaan,” zei ze opeens met een diepen zucht.
“Maar Elsje!”
“Ik zie er zoo tegen op en het lijkt me niets prettig meer! Ik weet haast wel zeker dat tante niet van mij houden zal en ik niet van haar.”
“Als je zulke dingen zegt, wil ik niet eens naar je luisteren, kind,” klonk het streng en beslist.
Elsje ging zwijgend op haar gewone plaats voor het raam zitten, tegenover haar grootmoeder en keek met een bedroefd gezicht naar buiten. Gisteren was ze nog een eind de heide overgegaan, daar in de verte, om een boodschap te doen bij vrouw Rikkers, die een boerderij had en toen had ze nog gedacht, hoe vreemd het toch was dat de heideplanten nu zoo dor en bruin waren, terwijl zij eenige maanden geleden zoo prachtig hadden gebloeid, vol geur en kleuren. En toen had ze er ook over gedacht, wat zij alles wel ondervonden zou hebben, als al die hei weer bloeide en wat ze dan wel niet allemaal met vrouw Rikkers zou te bepraten hebben—zij hadden het nu samen altijd al zoo druk! Maar gisteren, toen had ze zich vroolijk gevoeld en blij, vol ongeduldig verlangen naar al het ongekende genot, dat haar in de groote stad wachtte en nu—och nu zou ze veel, veel liever bij grootmoeder hebben willen blijven. Zij voelde zich ook niets prettig, zoo raar beverig en zoo akelig benauwd, net of ze niet goed slikken kon. Ze wou dat tante dien brief maar nooit geschreven had!
Maar er was nu niets meer aan te veranderen. De trein, die mevrouw d’Ablong naar het kleine dorp brengen moest, waar Elsje woonde, kwam al nader en nader en stond eindelijk hijgend en blazend een paar minuten stil voor het onaanzienlijke station, waarbij Elsje’s tante uitstapte. De stationschef keek nieuwsgierig naar de deftige dame in den langen mantel van bruin pluche, die bevallig sloot om de slanke, statige gestalte. De chef was eerst een half jaar in dienst en had er geen het minste denkbeeld van, wie de vreemde dame kon zijn. Met een trotsche, eenigszins gebiedende uitdrukking in hare mooie, donkere oogen, liep zij hem langzaam voorbij met de houding eener koningin. Zij beantwoordde zijn beleefden groet met een genadig hoofdknikje en ging toen het stille perron over in de richting van den uitgang. “Wat komt die hier doen!” mompelde de chef bij zichzelf, terwijl hij haar nazag. Eensklaps scheen zij zich te bedenken; ze stond stil, keerde zich om, liep terug en trad op den chef toe.
“Is hier geen rijtuig te krijgen?” vroeg ze.
“Als u even geduld hebt, mevrouw. Het logement is hier vlak bij en daar kunt u heel goed terecht.”
“O, kan daar iemand heen worden gestuurd?”
“Wel zeker, mevrouw, als u dat verkiest.”
“Goed. Laat er dan dadelijk iemand heen gaan en zeggen dat ik het rijtuig terstond hebben moet. Ik zal hier blijven wachten.”
“Tot uw dienst, mevrouw.”
Vijf minuten later was het rijtuig met mevrouw d’Ablong op weg naar de woning van Elsje’s grootmoeder. De oude vrouw stond haastig van haar stoel op, toen ze het geluid van naderende wielen hoorde. Met bevende hand schoof zij het gordijntje op zij, om beter langs den weg te kunnen zien. Zij hield zich goed, ter wille van Elsje, maar haar hart klopte onstuimig en hare oude oogen deden pijn van de inspanning, waarmee zij hare tranen terug hield.
Daar kwam het rijtuig aan. Grootmoeder zuchtte eens diep. Misschien reed het wel voorbij—het was toch niet onmogelijk dat haar dochter loopen kwam van het station; den weg kende ze waarlijk goed genoeg! Het rijtuig stond stil. Zij zat er dus wel in! De oude vrouw liet het gordijntje los en ging weer zitten, bleek als een doode. Maar zij vermande zich en toen de deur geopend werd en mevrouw d’Ablong binnentrad, stond zij bedaard op en ging haar tegemoet. Elsje bleef beschroomd bij het raam staan, met een kleur als vuur en hare handen stijf geklemd om den rug van haar stoel.
“Dag moeder, hoe gaat het?” zei de bezoekster, terwijl ze met haar gehandschoende hand de voile voor haar gezicht wegschoof en zich bukte, om de oude vrouw een kus op het voorhoofd te geven. “U ziet nog bleekjes; bent u nog zwak?”
“Neen, neen, ik ben bepaald beter. Ga zitten, Lize. Kijk, dit is nu Elsje. Toe kind, kom hier en geef je tante een hand. Sprekend haar moeder, vindt je niet, Lize?”
“Ja,” zei mevrouw d’Ablong langzaam, “dat dunkt me ook wel.” Zij hield Elsje’s hand vast en bekeek haar van het hoofd tot de voeten, zoodat het arme kind nog verlegener werd dan ze reeds was.
“Zij ziet er ten minste gezond uit, dat is gelukkig. Maar....maar heeft ze niet nog een andere jurk om aan te trekken voor de reis, moeder?”
Een andere jurk! Elsje trok haar hand driftig los en zei met een gebaar van trotschheid, dat haar grappig stond:
“Dit is mijn beste.”
“O!” zei hare tante met een spottend lachje. ”Dan moet je haar aanhouden natuurlijk. Je vindt het zeker heel prettig om een poosje bij mij te komen logeeren he? Hoe oud ben je?”
“Ja, ze stelt zich heel veel voor van haar uitstapje,” viel Elsje’s grootmoeder snel in, toen ze zag hoe haar kleindochter het te kwaad kreeg met hare tranen. “En het lijkt haar zoo aardig eens kennis te maken met Cécile! Elsje is juist veertien geworden; dus de beide meisjes komen goed bij elkaar, wat den leeftijd betreft.”
“O, maar Cilly is verleden week al zestien geworden,” zei mevrouw d’Ablong. “Dus dat is twee jaar verschil, dat zegt nogal wat op dien leeftijd, maar daarom zal ze zich toch wel eens met Elsje willen bemoeien, natuurlijk. Ze ziet er zoo allersnoeperigst uit, Cilly,—ze wordt bepaald een mooi meisje. Ik moet haar toch stellig eens meebrengen, moeder, als ik weer hier kom—iedereen roept er over, zoo beelderig mooi als ze wordt.”
“Zoo?” zei de oude vrouw droog. “En ze vindt het zeker ook prettig dat Elsje komt?”
“O ja, dat vindt ze heel grappig, geloof ik. Maar vertel mij nu eens moeder, hoe gaat het u eigenlijk? En zou Elsje zich ook onderwijl klaar gaan maken? Zoo heel veel tijd hebben wij niet.”
“Ga je hoed opzetten, kindje,” zei de grootmoeder met een bemoedigend knikje. Zij zag wel hoe vreeselijk Elsje er nu tegen op begon te zien om met hare tante mee te gaan. “Strijk je haar ook nog wat glad, hoor.”
Elsje verdween terstond in het slaapkamertje, blij dat ze alleen kon zijn. Zij streek snel het haar glad, keek of het strikje nog stevig zat om het stijve, korte vlechtje, zette haar hoed op, trok de wollen handschoenen aan en knielde toen neer voor haar bed.
“Help mij, lieve Heer!” smeekte ze met een korten, nijgenden snik, terwijl ze hare handen tegen haar gezicht drukte. Toen stond ze op, keek nog eens om zich heen en ging terug naar de andere kamer.
“Klaar?” vroeg haar grootmoeder vroolijk. “Schenk tante dan nog maar even een kopje koffie in en jezelf ook.”
“Neen, neen, dank u moeder, wij moeten nu werkelijk weg,” zei mevrouw d’Ablong, haastig van haar stoel opstaande. “U hoort dan wel, wanneer Elsje weer thuis komt. En zult u vooral dikwijls bericht sturen, hoe het u gaat? Ik zal goed op Elsje passen, dat beloof ik u.”
“Daar reken ik ook vast op,” zei de oude vrouw ernstig.
“Kom, neem dan nu maar afscheid, kind,” zei mevrouw d’Ablong naar Elsje omziende, die stil achter haar was blijven staan. “Maar mijn hemel, schepseltje, wat heb je daar voor een hoed op! Je moet wat anders opzetten! Daarmee kan ik onmogelijk eerste klasse met je reizen; die jurk is al erg genoeg!”
“Ik heb maar één hoed,” zei Elsje koppig.
“Zet je kapje maar op, kind, gauw maar; laat tante niet wachten.”
De vermanende toon harer grootmoeder deed Elsje terstond gehoorzamen. Maar boos was ze toch. “Ik vind haar een naar mensch!” zei ze, de kast in het slaapkamertje opentrekkend en haar wollen mutsje te voorschijn halend. Met een driftige beweging strikte zij het onder de kin vast. “Dit houd ik op, al gaat ze ook op haar hoofd staan!” zei ze beslist. Toen ging ze weer terug met iets uitdagends in hare oogen.
“Dat gaat ten minste nog,” zei hare tante. “En nu moeten we heusch weg, anders komen we nog te laat aan den trein. Dag moeder, zult u goed op u zelf passen?”
Weer kuste ze de oude vrouw. Toen trok ze haar voile voor het gezicht en ging voor het kleine, ouderwetsche spiegeltje staan, om te zien of haar hoed wel volkomen naar de regelen der kunst op haar hoofd stond.
“Dag mijn lief, lief kind! God zegene je!” fluisterde de grootmoeder, terwijl ze Elsje in haar armen gesloten hield. “Stuur mij maar eens gauw een brief, hoor!”
Elsje knikte. Spreken kon zij niet. Toen sloeg ze haar armen om grootmoeders hals en kuste haar.
Een oogenblik later zat ze naast hare tante in het rijtuig. De oude vrouw stond voor het raam en knikte, knikte met een vriendelijk lachend gezicht, terwijl hare mondhoeken zenuwachtig trilden. Nog een oogenblik en het rijtuig was uit het gezicht verdwenen.
Stil, met een verlegen gezicht, zoo geheel verschillend van de gewone, vroolijke Elsje, volgde ons meisje mevrouw d’Ablong in den keurigen coupé, dien de beleefde conducteur voor de deftige dame opende. “Jij wilt zeker graag bij het raampje zitten, kind?” vroeg hare tante met een werkelijk edele poging om het haar nichtje zoo prettig mogelijk te maken en haar op haar gemak te zetten. Elsje knikte maar eens. Zij had wel “ja tante” willen zeggen, maar ze durfde niet te spreken. Zij had nog steeds dat rare, benauwde gevoel in de keel, net of ze niet goed slikken kon en net of ze zou moeten schreien, als ze probeerde iets te zeggen. Daarbij was er nog een dame in den waggon, die haar nog minder op haar gemak maakte dan ze reeds was. De dame had zoo’n trotsch gezicht en zulke koude, grijze oogen en ze keek Elsje zoo strak aan en zoo lang, alsof ze zeggen wou: “Kind, wat doe jij hier, in een coupé eerste klasse?” En toen Elsje ging zitten bij het raampje en leunde tegen de zachte kussens, evenals zij haar tante zag doen, ging de vreemde dame zoo stijf rechtop zitten en bekeek Elsje zoo nauwkeurig dat het arme kind bepaald dacht dat zij onbehoorlijk zat, ook rechtop zitten ging en verlegen het raampje uitkeek. Het was of een magnetische kracht haar telkens weer noopte om te zien of de dame nog naar haar keek, en herhaaldelijk als zij dit deed, zag ze de koude, grijze oogen op zich gevestigd.
Mevrouw d’Ablong had hare oogen gesloten en zat doodstil, met hare handen in haar mof, over Elsje, die een gevoel had, alsof ze alles zou hebben willen geven, om rustig bij haar grootmoeder te zijn. Maar zij moest zich goed houden,—vóór alles, zich goed houden—flink en moedig zijn en haar best doen,—dat had ze grootmoeder zoo beloofd! Schreien zou ze niet—-vooral hier niet—hare tante zou zich niet voor haar behoeven te schamen tegenover die trotsche, akelige dame daar in den anderen hoek van den waggon. En met groote volharding keek Elsje het raampje uit en deed zich geweld aan om bedaard te zijn. En langzamerhand werd het kalmer in haar, zoodat ze met zekere stille berusting hare tante volgde, toen deze aan een groot, druk station den trein uitstapte met de woorden:
“Ziezoo kind, nu zijn we dadelijk thuis. Ga maar gauw met me mee naar het rijtuig. Loop vlak achter me, hoor; het is hier altijd zoo vol om dezen tijd van den dag!”
Ja, wèl was het er vol! Het was Elsje alsof ze droomde, toen ze zich daar plotseling verplaatst zag in die woelige wereld, die haar tot nu toe geheel onbekend was geweest. Het maakte haar angstig—de dringende, luid pratende en roepende menschenmassa om haar heen, de haastige kruiers, die tegen haar aanliepen en haar op zijde duwden, de heeren en dames, die tusschen de drukte door, deftig heen en weer wandelden op het perron, of beleefd hunne gasten begroetten, het schelle, doordringende gefluit en gesis van aankomende en vertrekkende treinen, het rijden met karren en kruiwagens—dit alles verdreef geheel de kalme stemming, die zij met zooveel moeite was machtig geworden en bevend, erg geagiteerd, haastte zij zich haar tante bij te houden, terwijl deze zich vlug en handig een weg baande naar den uitgang van het station, waar een rijtuig haar wachtte. “Zou Cécile ons komen halen?” dacht Elsje. Die zat dan zeker al ongeduldig te wachten in het rijtuig, of—zou ze er misschien ook een beetje tegen opzien om kennis te maken met het onbekende nichtje? Elsje’s hart klopte sneller, toen het portier van het rijtuig geopend werd, maar een gewaarwording van verlichting en toch ook van teleurstelling, maakte zich van haar meester, toen ze zag dat het leeg was. Mevrouw d’Ablong scheen hier niets ongewoons in te vinden. Zij zei alleen maar: “Toe Elsje, haast je een beetje!” omdat het kind niet dadelijk instapte en keerde zich met een vriendelijk lachje om, toen ze zich door een beschaafde vrouwenstem bij den naam hoorde roepen en een keurig gekleede dame achter zich zag staan. “Hoe gaat het u toch, mevrouw d’Ablong?” zei ze, “Loulou heeft al zóó dikwijls verlangd, Cilly eens weer te spreken en eens bij zich te zien. Zij houdt zoo dolveel van Cilly! Hoe maakt ze het? Ziet zij er nog altijd even beelderig lief uit? Ik vond haar om te stelen verleden winter op die partij van mijnheer van Heusde. Bent u op reis geweest, of....o ja, ik zie het, u hebt een logeetje meegebracht....maar neen, nu vergis ik me toch zeker .... Bent u ook al heelemaal opgaande in werken van liefdadigheid?” vervolgde ze fluisterend, “en moet er voor dat meisje misschien een dienstje worden gezocht bij kinderen, of....”
“Het is een kind van buiten, dat ik een poosje bij mij in huis neem,” zei mevrouw d’Ablong een beetje kortaf, met een zachte stem, maar toch niet zóó zacht, of Elsje had het verstaan.
Een kind van buiten, dat zij een poosje bij zich aan huis nam! Waarom zei haar tante niet dat zij, Elsje, haar nichtje was en bij haar kwam logeeren? Elsje vond het erg vreemd! Zij kreeg een gevoel, alsof hare tante zich over haar schaamde en ze werd vuurrood en de tranen van ergernis sprongen haar in de oogen. Zij veegde ze snel weg met een ongeduldige beweging harer hand. Als mevrouw d’Ablong het een schande vond dat zij haar tot nichtje had, dan zou zij haar niet lang lastig vallen; ze wou wel dadelijk terug, heel graag wou ze dat! En dat zou ze zeggen ook. En toen haar tante eindelijk van hare kennis afscheid had genomen en in het rijtuig zat, begon Elsje met een onvaste stem, maar met fonkelende oogen:
“Waarom.... waarom mocht die dame niet weten dat ik uw nichtje ben, tante?”
Mevrouw d’Ablong keek vreemd op. Heel even gleed er een flauwe blos over haar gezicht, maar zij herstelde zich terstond en zei koel, terwijl zij Elsje strak aanzag:
“Dat mocht ze heel wel weten, natuurlijk. Er is volstrekt geen reden, waarom je je zoo dwaas zoudt opwinden, kind.”
“En waarom weet ze het dan nu nog niet en denkt ze dat ik een kind van buiten ben, dat....”
“Lieve tijd, Elsje, praat niet zoo ontzettend luid en kijk me niet zoo woest aan! Je moet heusch een beetje gaan letten op je manieren, kind. Je gedraagt je zoo allerakeligst burgerlijk! Neen, kijk nu niet het raampje uit, terwijl ik met je spreek en bijt ook niet zoo op je lippen. Die zijn waarlijk dik genoeg. Ik hoop dat wij een prettigen tijd zullen hebben met elkaar en natuurlijk zal ik je aan iedereen voorstellen als mijn nichtje, maar dan moet je zelf ook je best doen en niet toegeven aan humeurtjes en driftige buien, als ’t je blieft.”
Elsje antwoordde niet. Het was haar of een stem haar toefluisterde: “Pas op, denk aan grootmoeder!” En met al de kracht die in haar was, trachtte zij haar ergernis te onderdrukken en het gevoel van eenzaamheid, dat haar dreigde te overweldigen. Zij bleef stil zitten met neergeslagen oogen, tot het rijtuig stil hield voor een groot huis van grijzen steen.
“Welkom hier, Elsje,” zei mevrouw d’Ablong, die toch een weinig medelijden met haar begon te krijgen. “Kijk, Cécile staat al voor het raam op ons te wachten.”
Eer Elsje tijd had gehad om naar het raam te kijken, was de breede voordeur reeds geopend en stond zij achter hare tante in eene ruime, marmeren vestibule, die smaakvol met palmen en hooge varenplanten was versierd. “Dag mama, dag mama!” riep een welluidende stem en een slank meisje met prachtige donkere oogen en krullend bruin haar, kwam op een drafje de gang inloopen. Zij droeg een jurk van goudbruin fluweel, dat haar warme, donkere tint op haar voordeeligst deed uitkomen en bewoog zich met een gemakkelijke gratie, die hare bevalligheid zeer verhoogde.
“Snoesje, snoesje, loop niet zoo hard! Kijk, je bent heelemaal buiten adem!” zei mevrouw d’Ablong, terwijl zij het meisje naar zich toetrok. Zij kuste haar op het voorhoofd en zag haar vol liefde en trots in de mooie oogen. Toen keerde ze zich om en zei:
“En hier heb je Elsje nu.”
“O!” zei Cécile op een langerekten toon, verwonderd en onverschillig te gelijk. Zij bekeek Elsje, die stil en bedeesd op de mat was blijven staan, van het hoofd tot de voeten, maar stak hare hand niet uit, om haar welkom te heeten.
”Blijft ze Elsje heeten, zoo lang ze hier is, mama?” vroeg ze toen, terwijl ze naast hare moeder de gang doorliep en Elsje langzaam volgde.
Mevrouw d’Ablong bleef lachend staan.
“Waarom vraag je dat, Cilly? Bevalt je die naam dan niet?”
“Ik vind hem zoo echt boerinne-achtig,” zei Cécile met een opgetrokken neusje. “Wij kunnen haar heusch zoo niet blijven noemen. Ze kan wel “Lizzie” heeten—dat klinkt veel ... veel netter. Ze moet toch heelemaal anders gemaakt worden, voordat ze met onze kennissen kan omgaan.”
“Nu ja, dat weet zij ook wel, is het niet, Elsje?” vroeg mevrouw d’Ablong zich tot haar nichtje wendend. “Maar vandaag moet zij nu eerst maar eens een beetje op haar gemak komen; het is alles nog zoo vreemd en zoo heel anders dan bij haar thuis. Kom lieveling, wijs jij haar nu haar kamer eens, dan ga ik even Missy goeden dag zeggen. Is zij op de zaal?”
“Ja mama.”
Zij waren een trapje opgegaan, dat met een dikken. Smyrnaschen looper was belegd en stonden voor een hooge, eikenhouten kamerdeur, die toegang gaf tot de “zaal”, waar Cécile’s Engelsche gouvernante voor een hoog opvlammend haardvuur zat te handwerken.
“Ga maar met Cilly mee, Elsje,” zei hare tante, “en blijf dan maar even wachten tot ik bij je kom; dan kunnen wij eens zien of er ook een jurk van Cécile is, die je van avond aan kunt hebben. Je kunt zóó niet aan tafel komen.”
“Ik begrijp niet....” begon Elsje met een stem, die van boosheid trilde.
“Je behoeft ook niet te begrijpen, kind,” viel mevrouw d’Ablong haastig in, terwijl Cécile Elsje spottend aanzag, “alles, wat je te doen hebt, is met Cilly mee naar boven te gaan en op je kamer op mij te wachten.”
En zonder af te wachten of haar nichtje nog iets te zeggen had, opende zij de eikenhouten deur en trad de zaal binnen met een vriendelijk:
”Well Missy, and how are you?
“Dezen kant op,” zei Cécile kortaf, terwijl ze even een trotsche beweging met haar hoofd maakte in de richting die Elsje gaan moest. “Wacht, ik zal je maar voorgaan. Niet stampen op de trap met die lompe schoenen, als ’t je blieft.”
Elsje’s bloed begon te koken, maar weer kwam de gedachte aan hare grootmoeder haar als ’t ware smeeken, de driftige woorden terug te houden, die haar op de tong lagen. Zij volgde Cécile zonder een woord te zeggen en vroeg zich in het voorbijgaan met bitterheid af, hoe zij met mogelijkheid luid zou hebben kunnen “stampen” op de zware, mollige loopers van de trap.
Haar hand gleed voorzichtig in den groven wollen handschoen over de breede leuning, terwijl Cécile haar in al de elegance van keurige, lage goudleeren schoentjes en zwart zijden kousen voor ging. Spoedig stonden zij op een ruim, breed portaal, waar het gas reeds aangestoken was en eindelijk opende Cécile aan het eind van dit portaal een deur en zei:
“Hier moet je wezen. Nu weet je het.”
Meteen keerde zij zich om en liet haar nichtje midden in de halfdonkere kamer alleen staan. Elsje hoorde haar over het portaal trippelen en onderdrukt giegelen, terwijl zij onduidelijk de woorden opving: “O, wat een kind, wat een lompe boerin!” Toen werd alles stil.
Haar eerste werk was naar de deur te gaan en die te sluiten. Toen sloeg zij de handen voor het gezicht en klaagde bitter en luid: “O, grootmoeder, grootmoeder, was ik maar weer bij u! Ik houd het niet uit, o, ik houd het niet uit!” Toen weer fluisterde ze, met een plotselinge opwelling om heldhaftig te zijn en moedig, ter wille van de oude vrouw, die haar zoo liefhad:
“Maar ik moet mijn best doen, ik moet, ik moet! Ik wil niet schreien, niet laf zijn—tante zal ook wel dadelijk komen,—ik wil niet dat zij mij bedroefd ziet, dat mag niet, nooit! Kom Elsje, niet flauw zijn, wat zou Krelis je uitlachen, als hij je nu eens kon zien!”
Er kwam een glimlach op haar gezicht bij de gedachte aan Krelis en zijne grappige plagerijen en met een zucht deed zij het wollen kapje af en liep naar de groote, wit porceleinen kachel om hare handen te warmen. Het liep tegen halfvijf en begon hoe langer hoe donkerder te worden in de kamer en hoe langer hoe somberder ook, vond Elsje. Zij liep naar het raam toe en zag een binnenplaats, waarvan men een gedeelte een vroolijker aanzien had trachten te geven door er eenige evergreens in groene kuipen neer te zetten. Elsje kon maar een klein, klein stukje zien van de helderblauwe winterlucht—het zwaarmoedige uitzicht benauwde haar en met een lichte huivering keerde zij zich van het raam af en trachtte om zich heen te zien in de duistere kamer. Heel veel vroolijker zag het er daar, nu althans, niet uit. Tegenover het raam, tegen den muur, stond een groot eikenhouten ledikant met een sierlijke sprei van witte kant, gevoerd met rose zijde, die Elsje werkelijk prachtig vond. Naast den zwart marmeren schoorsteen stond een zware, breede waschtafel ook van eikenhout en voorzien van een fraai, marmeren blad en een reusachtig waschstel van Fransch porselein, met takken chrysantemums beschilderd. Aan den eenen kant van het raam prijkte een eikenhouten kleerenkast met een langwerpigen spiegel, waarin Elsje zichzelf levensgroot zag weerkaatst; aan den anderen kant stond een toilettafel, ook alweer voorzien van een spiegel en van candelabres, flacons, toiletkussens, doellooze flaconkleedjes, enz. Donkergroene overgordijnen en een donkergroen kleed droegen er juist niet toe bij om het vertrek een blijmoediger aanzien te geven, terwijl het eentonige, doffe getik der marmeren pendule op den schoorsteen, op sombere wijze de doodsche stilte verbrak. Elsje had groote moeite niet te veel onder den indruk te komen der naargeestige omgeving om zich heen. In geduldige houding stond ze bij de kachel af te wachten, wanneer het haar tante zou believen tot haar te komen—maar heel geduldig en gedwee zag het er niet uit in haar hart. Er kwam een diepe zucht over hare lippen, toen de deur eindelijk geopend werd en mevrouw d’Ablong binnentrad, gevolgd door een dienstmeisje met eenige kleeren over den arm.
About
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Comments
Be the first to comment
There aren't any comments on this content yet. Start the conversation!






