Elsje - Free Audiobook
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk XIV. “Kindersproke.”
Hoofdstuk XIV.
“Kindersproke.”
“O tante, zóó lang?” had Elsje gevraagd, toen mevrouw d’Ablong zeide dat zij haar tot haar achttiende jaar op kostschool wilde laten blijven en nu was ten slotte de tijd om, voordat zij het zelf haast wist. Zij zou het niet geloofd hebben als iemand het haar drie jaren geleden had voorspeld, maar toen de dag van het afscheid naderde, voelde zij zich zoo bedroefd en zag zij er zoo tegen op het gelukkige leven, dat zij op school gehad had, vaarwel te zeggen, dat zij er werkelijk een oogenblik ernstig over dacht, hare tante te smeeken, haar nog een jaar te laten blijven. Maar, zoo onhartelijk en ondankbaar wilde zij toch niet zijn. “Nu verlang ik er bepaald naar dat je voor goed thuiskomt, kind,” zei mevrouw d’Ablong den laatsten keer dat zij Elsje bezocht. “Cécile gaat zoo verbazend veel uit, nu zij eenmaal gepresenteerd is en ik ben zoo bang dat ik haar gauw heelemaal zal verliezen...”
“Waarom tante?” viel Elsje haastig in. Zij wist dat de wensch van grootmama spoedig zou worden vervuld en Frits er in geslaagd was een betrekking als rentmeester te vinden. Het groote buiten, waar hij werkzaam zou wezen, lag op een klein uur afstands van de villa der oude dame en dezen zomer zou Frits voor goed uit Duitschland terug komen en zijn nieuwen werkkring aanvaarden. Elsje had hem slechts een paar malen even gezien in de laatste twee jaren; hij was dikwijls in het land geweest buiten den vacantietijd. Toen zij hem het laatst ontmoet had, in de vorige zomervacantie, buiten bij grootmama, was het haar opgevallen dat Cécile en hij zoo vertrouwelijk samen waren. Zij had toen weer sterk het onderscheid gevoeld tusschen Cilly en zichzelf, want, hoewel hare manieren nu, volgens mevrouw d’Ablong, “bijna onberispelijk” waren, overviel haar toch telkens in tegenwoordigheid van Cécile en Frits, een gevoel van linkschheid, dat haar verlegen en stil maakte. Zij had zich niets gelukkig gevoeld die dagen dat Frits buiten was en het eigenlijk een verlichting gevonden, toen hij weer vertrekken moest. Het was niet lief van haar, dat voelde ze wel, maar zij kon het niet heel goed verdragen dat hij en Cécile het zoo bizonder goed samen konden vinden, en toch, wat ging het haar eigenlijk aan, zij schaamde zich er over dat het haar zoo hinderde. Wat verbeeldde zij zich wel? Frits was immers ook altijd even vriendelijk en beleefd jegens haar; meer verlangde zij toch niet? Zij werd telkens boos op zichzelf, als zij zoo redeneerde, maar.... heel veel hielpen die toorn en dat redeneeren haar niet. Zij had zich echter vast voorgenomen, het heusch heel prettig te vinden, als zij hoorde dat Frits en Cécile samen zouden trouwen; nu hare tante echter, naar zij dacht, met dit bericht voor den dag zou komen, verlangde zij er heelemaal niet naar, het te hooren. Zij kreeg een kleur, toen zij op de geheimzinnige woorden van mevrouw d’Ablong inviel met haar:
“Waarom tante?”
“Wel meisje, wat komt dat er levendig uit!” lachte hare tante. “Zoo, zoo, begin je je ook al zoo verbazend voor dergelijke dingen te interesseeren? Nu, ik heb wel hoop dat mijn aardig nichtje ook nog wel eens iemand zal vinden, die heel veel van haar houdt. Je ziet er veel beter uit, Elsje. Je moet maar veel rose dragen, die blouse flatteert je bepaald. Neen, kijk mij eens even goed aan! Ik geloof heusch dat ik je bij je kin moet vasthouden; je draait telkens je hoofd om. Ziezoo, nu moet je me wel aankijken, ondeugend kind. Ik denk wezenlijk meisje, dat je met die blauwe oogen nog eens iemand betooveren zult. Wordt je nu al verlegen om zoo’n gewoon complimentje? Wat ben je toch een grappig, kinderlijk schepseltje! En wou je nu zoo dolgraag eens weten, waarop ik zoo pas doelde? Krijg je nu al weer een kleur en wat kijk je vreeselijk ernstig! Nu Elsje, ik denk.... ik denk haast wel dat Cécile gauw geëngageerd zal zijn.”
“O,” zei Elsje met een zucht, terwijl ze haar gezicht wegtrok en haar best deed blij te kijken.
“Ik denk,” vervolgde mevrouw d’Ablong met een trotsch lachje, “dat zij een allersnoeperigst bruidje zal wezen; maar zoover zijn wij nog niet, gelukkig. Ik mag je nog niet vertellen met wien Cilly trouwen gaat, dat heb ik haar stellig beloofd en je moet er haar ook nog maar niet over schrijven, dat heeft ze liever niet. Er zijn redenen waarom het engagement voorloopig nog geheim moet blijven, maar je begrijpt zeker wel dat ik nu nog meer verlang om je voor goed thuis te krijgen, he?”
“O ja, tante.”
“Vooreerst zal Cécile nog wel niet trouwen, maar haar aanstaande man zal haar natuurlijk heel dikwijls van mij weghalen, dat spreekt van zelf. Ik denk dat zij een erg knap paar zullen zijn. Maar nu mag ik er je niets meer van vertellen. Cilly heeft me dat zoo op het hart gedrukt. Nu kindje, daar luidt de bel voor je lunch, ga maar gauw heen—tot Juli hoor! Wij zien elkaar dan terug bij grootmama; ik zal er voor zorgen dat er nog een paar nette, nieuwe toiletjes voor je worden gemaakt. En o ja, denk er aan dat je er niets van laat blijken, als je bij grootmama komt, dat je van Cécile’s engagement afweet. Het moet bepaald nog strikt geheim blijven tot het najaar; pas dus goed op, hoor.”
“Ja zeker tante.”
Dit was een van de redenen, waarom Elsje er zoo tegen opzag van haar gelukkigen kostschooltijd afscheid te nemen. “Frits en Cécile geëngageerd,” dacht ze, “wat zullen zij mij dan uitstekend goed kunnen missen! Ik vind het heerlijk, heerlijk, grootmama weer te zien, maar alles zal nu wel heel anders wezen dan vroeger. Grootmama zal natuurlijk, evenals tante, erg opgaan in die twee. Maar ik moet mijn best doen. Tante is zoo lief voor mij tegenwoordig en... en... misschien valt het wel mee. Ik vind het vreemd dat Frits eerst in Augustus thuiskomt, hij zal toch wel heel erg naar Cécile verlangen. Vóór dien tijd zal het dan toch wel heel prettig zijn bij grootmama; ik wou dat ik dan later nog wat bij Line mocht gaan logeeren.”
Line was de dochter van den bloemist. Elsje en zij waren nu elkaars “grootste” vriendinnen en vonden het een verschrikkelijk denkbeeld dat de tijd spoedig aanstaande was, waarop zij elkaar niet meer dagelijks zouden zien. Zij namen zich echter stellig voor, elkaar trouw te schrijven en Line rekende er vast op, dat Elsje eens gauw bij haar zou komen logeeren.
“Dag Elsje, dag lieve, lieve Elsje!” zei ze, toen het uur van afscheid nemen werkelijk was gekomen en de twee vriendinnen elkaar voor het laatst omhelsden. “Je schrijft me nu heusch dadelijk, he? Ik beloof je dat ik je brief heel gauw zal beantwoorden. Ik hoop dat je het heerlijk hebben zult buiten, bij die lieve oude dame. Ik vind het verrukkelijk om naar huis te gaan, maar o, wat wou ik dolgraag dat je nu al met me mee gingt!”
“Kom Line, nu moet Elsje heusch weg, haar koffer is al naar het station,” kwam de directrice tusschenbeide. “Heb je al de andere meisjes ook al goedendag gezegd, Elsje? Het spijt iedereen dat je voor goed weggaat. Je bent mij een heel lieve leerling geweest, kind; God zegene je!”
Elsje was verbaasd te zien, hoe de anders zoo statige dame de tranen in de oogen had. Nu kon zijzelf zich ook niet langer goed houden. Tot op dit oogenblik had zij dapper tegen hare ontroering gestreden, maar thans begaf haar opeens alle zelfbeheersching en hare handen voor het gezicht slaande, riep ze snikkend uit:
“Och juffrouw, ik wou hier zoo vreeselijk graag nog wat blijven; ik heb het hier zoo heerlijk gehad...”
“Kom lieve meid, je zult het immers bij je tante ook weer heel prettig hebben! Doe maar goed je best om een lieve tweede dochter voor haar te zijn. Dag kind, dag kind! Laat mij maar eens gauw wat van je hooren.”
En het rijtuig reed met Elsje en de Fransche secondante, die haar naar het station bracht, weg, terwijl zij nog maar al met hare hand uit het raampje wuifde, tot het laatste stipje van het kostschoolgebouw uit het gezicht was verdwenen.
O, wat was het heerlijk, toen zij aan het eind harer reis aankwam, terstond toen zij uit den coupé stapte, het lieve gezicht van grootmama voor zich te zien! “Welkom thuis, kind, welkom thuis!” zei de oude dame, Elsje naar zich toetrekkend en een kus gevend. “Wat heb ik naar je verlangd!”
“En ik naar u, grootmama,” zei Elsje warm.
“Ja? Kom, dat is goed. Jacob staat met het rijtuig op ons te wachten. Kijk, de paardjes trappelen al van ongeduld om je thuis te brengen. Je ziet Cilly zeker ook al, he? Zij is maar heel gemakkelijk in het rijtuig blijven zitten; tante wacht je thuis op. Jammer dat Frits er nu nog niet is, die verlangt ook naar je. Kijk je zoo nieuwsgierig, omdat je niet weet wie die andere jonge dame is, die naast Cilly zit? Maar je kent haar toch heel goed! Zij logeert ook een poosje bij mij. Kom, ga maar gauw mee.”
“O ja, nu zie ik het; het is Loulou van Rensen,” zei Elsje, nu juist niet op verheugden toon.
“Dag Elsje, welkom hier,” zei Loulou vriendelijk, zoodra ze haar zag. “Vindt je het niet verbazend prettig om voor goed van kostschool af te zijn? Wat zie je er goed uit, zeker ook van blijdschap, he?”
“Dat weet ik niet,” zei Elsje lachend. “Dag Cécile.”
“Dag Elsje, welkom hier,” was al wat Cécile zeide, maar Elsje lette er niet op en was dadelijk druk in gesprek met grootmama, die alles weten moest van de directrice en van het afscheid en vooral van Elsje’s grootste vriendin.
Mevrouw d’Ablong begroette Elsje vrij hartelijk en nam haar dadelijk mee naar hare kamer om haar de nieuwe japonnetjes te laten zien, die zij voor haar in orde had laten maken. “Dat opgestoken haar staat je bizonder goed,” zei ze, “maar je moet er bepaald een schildpadden naald in steken. O, daar komt grootmama ook al weer aan. Die heeft wat naar je verlangd, kind; Cilly zou haast jaloersch geworden zijn.”
“Ik kom Elsje een brief brengen, zeker van Miss Piper,” zei de oude dame, die de kamer binnenkwam, gevolgd door Cécile en Louise.
“Cilly heeft geen reden om jaloersch te wezen. Is het wel, madame la baronne?” fluisterde Loulou lachend.
“Sst! Stil toch!” fluisterde Cécile terug. “En wees toch niet zoo flauw met je madame la baronne! Dat ben ik heelemaal niet....”
“Maar je zult er toch op lijken, als je later op het kasteel woont.”
“Och wat, kasteel! Het is heelemaal geen kasteel, het is een heel gewoon huis!”
“Maar....”
“Toe, stil nu,” zei Cécile op gebiedenden toon. “Is het een brief van Miss Piper, Elsje? En vindt ze het niet naar, dat ze nu al een jaar van ons weg is?”
“Zij schrijft heel hartelijk, lees maar eens,” zei Elsje. “Ik vind het erg aardig dat zij er aan gedacht heeft dat ik vandaag voor goed thuis kwam.”
“Nu moet je mij eens even al je aandacht schenken, kind,” zei grootmama, een klein doosje te voorschijn halend. “Ik had het je al willen geven op je achttienden verjaardag, maar tante vond het aardiger, als je het nu kreegt. Kijk eens!”
En het doosje openend, liet zij Elsje een allerliefst geëmailleerd gouden horloge zien.
“Neem het er maar uit,” zei ze met een vriendelijk knikje, toen Elsje er met een verbluft gezicht naar stond te kijken.
Voorzichtig en een beetje verlegen gehoorzaamde ze.
“Lees eens, wat op den rand staat,” zei de oude dame weer. “Ik hoop dat het je bevalt.”
“O grootmama,” was al wat Elsje zeide, toen ze de kleine letters op den rand van het horloge ontcijferde. “Aan mijn lieve kleindochter,” stond er en toen ze die woorden las, was het Elsje een oogenblik, alsof ze werkelijk hare eigene lieve grootmoeder terug had gekregen. Er kwam een warm, weldadig gevoel in haar hart bij het besef, hoe de oude dame ook haar geheel als hare eigene kleindochter wenschte te beschouwen en het horloge in het étui op de tafel leggend, liep ze naar grootmama toe, sloeg op hare oude, kinderlijke wijze de armen om haar hals en zei:
“O dank u, dank u hartelijk.”
“Wat een roerend schouwspel!” zei Cécile zachtjes tot Louise, die met haar bij het raam stond.
“Och, ik vind het eigenlijk heel aardig dat ze zoo blij is,” fluisterde Louise terug. “En wat is ze er lief gaan uitzien, Cilly. Ze heeft zoo’n mooie kleur van haar gekregen en ik heb vroeger nooit opgemerkt dat ze zulke aardige oogen had.”
“Lieve tijd, Lou, ze kan best hooren wat je zegt. Houd je toch stil!”
Maar Elsje had het niet gehoord. Zij was veel te veel vervuld van het bezit van haar horloge en druk in gesprek met grootmama en mevrouw d’Ablong. “Hoe maakt Liesje het toch?” vroeg ze, toen Louise later een praatje met haar maakte, “vindt ze het nog zoo prettig op school en is ze alweer gegroeid?”
“O ja, ze is bepaald al weer grooter dan toen jij haar het laatst zaagt en ze vindt het erg deftig dat ze nu heusch acht jaar is.”
“Ik verlang haar weer eens te zien,” zei Elsje.
“Ik geloof dat ze ook erg naar jou verlangt, maar ze zal je nu wel niet meer bij den naam durven noemen.”
“Dat zal ze wel, hoop ik,” zei Elsje lachend. “En anders zal ik het haar wel leeren.”
Het viel haar dien eersten dag zeer mee, dat Louise zooveel vriendelijker jegens haar was dan ze verwacht had, maar den volgenden dag scheen deze het weer noodig te vinden, Elsje wat meer op een afstand te houden. Zij was zooveel jonger en Cécile had eigenlijk wel gelijk, het was vervelend dat dat jonge kind nu telkens mee moest, als zij wandelen gingen. Zij konden nu lang zoo vrij en genoegelijk niet meer praten als zij tot hiertoe hadden gedaan.
Heel erg geneerden zij zich trouwens niet, toen zij na het ontbijt met Elsje in het bosch liepen. Elsje deed eerst haar best mee te praten, maar toen het gesprek langzamerhand uitsluitend over de bals liep, die Cécile en Louise den vorigen winter hadden bijgewoond en toen de laatste Cilly voortdurend plagend madame la baronne noemde en allerlei geheimzinnige toespelingen maakte op iemand, die ook wel dolgraag naast Cilly zou hebben willen loopen, begon het Elsje te vervelen en liep zij zwijgend voort, zooveel mogelijk de plechtige schoonheid van het bosch genietend. Maar het gefluister en gegiegel naast haar hinderde haar toch en zij was blij, toen het tijd werd om naar huis te gaan. Grootmama kwam de meisjes uit de veranda tegemoet, toen zij hen zag aankomen. “Een telegram! Een telegram van Frits!” riep ze. “Hij komt morgen al thuis.”
“O, hoe vreeselijk gezellig!” riep Cécile terug, terwijl Elsje haar snel aankeek. Wat nam Cécile het bericht eigenlijk gewoon op! Zij praatte er niet eens verder over, toen zij in huis waren, maar greep gretig naar twee brieven, die de post juist voor haar had gebracht. Hoe vreemd! Zij moest toch wel heel blij zijn, dat hij nu al zoo gauw kwam. Het engagement werd dan zeker dadelijk publiek, al was het nog geen najaar. Foei, wat was zijzelf weinig kalm! Wat had zij toch? Het zou heel aardig wezen, Frits eens weer te zien, maar daarom behoefde haar hart nu toch niet zoo dwaas onstuimig te kloppen en was het volstrekt niet noodig dat hare wangen zoo gloeiden! “Wel, kindje, wat staan je oogen helder, bevalt het luie leventje je al goed?” vroeg grootmama, en Elsje knikte een beetje verlegen, zij voelde zich zoo vreemd en o, ze zag zoo tegen morgen op. Ze zou dan natuurlijk heel verheugd moeten kijken, als men haar vertelde dat Cécile en Frits geëngageerd waren en ze was er in werkelijkheid niets mee ingenomen. Ze kon het niet helpen, het was misschien heel leelijk van haar, maar ze vond het in ’t geheel geen prettig vooruitzicht, om die twee zoo heel intiem samen te zien. “Ik ben een akelig, onuitstaanbaar, ondankbaar schepsel!” zei ze tot zichzelf, toen ze ’s avonds alleen op haar kamer was en in een alles behalve kalme stemming. “En ik moet morgen blij kijken en heel vroolijk zijn, maar och, ik wou ... ik wou dat ik Frits verschrikkelijk naar vond!”
Met dezen onvriendelijken wensch in haar hart viel zij in slaap.
Ze was wonderlijk kalm, toen het uur naderde, waarop Frits thuis komen zou. Zij zag er nu niets tegenop, heelemaal niet en dat was erg gelukkig, vond ze, maar och lieve tijd, al hare kalmte verdween als sneeuw voor de zon, toen zij Frits voor zich zag. En hij was zelf nog wel zoo stil, ja zelfs een beetje verlegen, toen hij haar goedendag zeide. “Je bent zoo veranderd,” zei hij, terwijl hij met iets eerbiedigs in zijne oogen keek naar de slanke, bevallige gestalte en het frissche meisjesgezicht, waarover een eigenaardig bekoorlijke beschroomdheid lag. Elsje kon niet anders dan ernstig kijken op dit oogenblik. Zonder een woord te spreken, legde zij hare hand in die van Frits en keek hem aan. Toen voelde zij zich opeens zoo onrustig en gejaagd, dat ze het een verademing vond, toen hij zich van haar afwendde, omdat grootmama hem iets vroeg.
“Nu komt het, nu komt het!” dacht Elsje, toen het geheele gezelschap na de koffie bij elkaar in de veranda stond en Frits Cécile plaagde, omdat zij hem niet met een kus welkom had geheeten. “Je hebt snood de belofte gebroken, die je me jaren geleden gedaan hebt,” zei hij, waarop Cécile beweerde dat zij nooit beloofd had, dat zij hem altijd “zoo overdreven hartelijk” zou begroeten, als zij hem zag. “Dat zou ook heelemaal niet comme il faut zijn,” fluisterde Louise haar in, waarop Frits absoluut weten wilde, wat zij gezegd had en Elsje maar al op heete kolen stond, omdat zij ieder oogenblik verwachtte dat mevrouw d’Ablong of grootmama over het engagement van Frits en Cécile zou gaan spreken. Dien dag gebeurde dit echter niet en tot Elsje’s verwondering ook den volgenden niet en den daarop volgenden en toen er een week voorbij was gegaan, zonder dat iemand ook maar een enkele toespeling op het bewuste engagement had gemaakt, kwam zij tot de overtuiging dat men het toch niet eerder bekend wenschte te maken dan in het najaar.
Deze gedachte moest haar kalmer hebben gestemd, maar tot haar schrik was dit het geval niet. Het was ook zoo vreemd dat Cécile en Frits elkaar betrekkelijk zoo weinig zochten en dat de eerste telkens lange wandelingen met Louise ging maken, zonder dat men wist, waar de beide meisjes gebleven waren. Na den eten waren zij telkens spoorloos verdwenen en het was nu al een paar malen gebeurd dat Elsje haar op het tennisveld achter het huis had gezocht en daar Frits aangetroffen had. Hij had dan telkens verrast opgekeken, als hij haar zag en eenmaal waren zij heel prettig samen gewandeld naar de heide, naar de plek, waar hij Elsje eens in liggende houding had aangetroffen. Hij was toen erg vriendelijk en zeide dat hij zoo blij was geweest, haar weer te zien en te kunnen denken dat zij zich nu veel gelukkiger voelde, dan toen zij voor ’t eerst die plek had bezocht en zij had toen maar even geknikt—zij kon niet spreken; o, als hij eens geweten had, hoe onrustig en bang het was in haar hart!
Zij wilde en durfde zich niet afvragen, wat dit wonderlijke gevoel veroorzaakte in haar binnenste, maar het maakte haar ongelukkig en opgewonden tegelijk en toen zij dien avond weer op haar kamer naar buiten stond te kijken, wendde zij zich opeens woest af van het vredige schouwspel daar buiten en riep uit: “O, ik wil het niet, ik wil het niet! Het zou schande zijn, ik mag niet!” En in een diep bedroefde stemming, overstelpt door een gevoel van schaamte en weemoed, knielde zij neer en bad vurig en smeekend:
“Heer, neem die liefde weg uit mijn hart. O, ik smeek U, neem haar weg en help mij, help mij!”
Maar haar strijd werd haar niet gemakkelijk gemaakt. “Ik wou dat hij maar minder vriendelijk was,” dacht ze, telkens als Frits een gesprek met haar aanknoopte en haar op allerlei wijzen toonde dat hij haar aardig vond en van haar hield. “Waar is Roodkapje? Gaat Roodkapje niet mee?” hoorde zij hem steeds roepen, als er questie was van een wandeltocht of iets dergelijks. “Ik mag je toch immers nog wel Roodkapje noemen?” had hij gevraagd. “Ik vind het zoo aardig, zoo’n naampje voor mij apart!” En zij had toen een beetje stroef “ja” gezegd, boos op zichzelf, omdat de laatste woorden haar zoo welkom waren.
Als zij ten minste uiterlijk maar heel kalm had kunnen zijn, dan zou het nog niet zoo erg zijn geweest, maar het kostte haar groote moeite, zich bedaard voor te doen, vooral als zij telkens de spottende oogen van Cécile en Louise op zich zag gevestigd, wanneer Frits haar een beleefdheid bewees of met haar praatte. Zij vond het bepaald een verademing, toen er, na een droogte van eenige weken, plotseling een dag kwam, waarop het zoo hevig regende dat er van uitgaan geen sprake kon zijn. Zij besloot nu rustig den geheelen middag op hare kamer te gaan zitten schrijven, aan een langen brief aan Line. Gelukkig werd zij niet in haar voornemen verhinderd, maar moeite kostte haar de brief wel—het was zoo vreemd om over koetjes en kalfjes te schrijven aan hare vriendin, terwijl haar hart vol strijd en droefheid was. “Zóó is het toch maar het beste,” zei ze, toen ze den brief met een zucht sloot. Toen kwam er een lachje op haar gezicht. Wat was zij toch eigenlijk dwaas! Kom, zij zou er wel overheen komen; zij moest er vooral maar niet te veel aan denken; als Frits en Cécile eenmaal getrouwd waren, kwam alles wel weer in orde. Bij die gedachte zuchtte ze echter weer, alsof dat “in orde zijn” toch maar betrekkelijk zou wezen.
“Komt Cilly en Loulou, vroolijkt ons eens wat op door een beetje muziek,” zei grootmama ’s avonds onder theetijd. “Ik word heelemaal somber door dien aanhoudenden stortregen vandaag. Wil je eens wat zingen, Louise, en heeft Cilly moed, je te accompagneeren?”
“O ja zeker,” riepen de beide meisjes tegelijk uit. Frits deed de piano open en even later klonken de vroolijke tonen van een Fransch liedje door de kamer.
“Alleraardigst!” riep grootmama, toen het uit was. “Zingt nu nog eens een paar duetten, ik hoor jullie zoo graag samen.”
De meisjes waren onvermoeid en zongen met lust en volharding door, totdat de schemering inviel en Cécile beweerde dat zij nu “heusch onmogelijk een noot meer kon lezen.”
“Het spijt me toch wel, dat ik Elsje in ’t geheel geen muziek heb laten leeren,” zei mevrouw d’Ablong tot grootmama. “Zij scheen er echter weinig aanleg voor te hebben, maar nu mist ze het toch, dunkt me.”
“Ze moet haast wel aanleg tot zingen hebben met die welluidende stem,” zei Frits opeens.
Elsje werd verlegen en Louise en Cécile stootten elkaar aan.
“Elsje kan zoo fraai reciteeren,” zei Cécile, “misschien wil zij dat nu wel eens voor ons doen. Wij zitten nu net zoo poëtisch in schemerdonker en daar heeft ze geen licht voor noodig.”
“Ik weet niet of Elsje er lust in heeft,” zei grootmama langzaam en een weinig bevreesd dat Elsje er tegenop zou zien, in dit gezelschap iets voor te dragen.
“Dat denk ik wel,” zei mevrouw d’Ablong beslist, terwijl Elsje zwijgend voor zich keek, onzeker wat zij zeggen zou.
“Wil je, Roodkapje?” vroeg Frits dringend. “Het behoeft maar een kleinigheid te wezen.”
“Komaan, Elsje, ik weet dat je het heel goed doet,” zei mevrouw d’Ablong snel. “Je hebt het zoo uitmuntend geleerd op school en het al zoo dikwijls gedaan, wees nu niet laf.”
“Nu begin ik nog meer te verlangen. Ik heb je nog nooit hooren reciteeren, Roodkapje,” zei Frits weer.
“Ik wil wel, tante,” zei Elsje zacht, “als ik maar wist wat.”
“Kijk, je kunt door het raam de sterren zien schijnen; het wordt beter weer, inspireert je dat niet?” vroeg Louise lachend.
En de flonkerende sterren schenen Elsje werkelijk op een inval te brengen.
“Wij hebben de laatste weken op school iets geleerd, dat ik bizonder mooi vond,” zei ze. “Zal ik dat nemen? Maar het is heel eenvoudig. Kindersproke heet het; misschien kent u het, grootmama?”
Neen, niemand kende het. “Begin maar gauw, dan zijn wij even ver als jij,” zei Cécile.
En met een heldere stem, eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid, begon Elsje te reciteeren:
KINDERSPROKE.
Nacht is niet boos... Als hij komt de nacht,
Maakt hij den hemel open,
En veel sterren en sterretjes komen zacht
Op gouden voetjes geloopen.
Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneê’
Zouden ze heel graag komen;
Maar ze zijn bang voor de groote zee
En voor de hooge boomen.
’t Is boven óók donker ... maar zij hebben licht!
De zon gaf ze allemaal lichtjes,
Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht
Bij hun gouden sterregezichtjes.
Zij kijken, en lachen, en knikken goênacht,
En zeggen: “je moet gauw gaan slapen.”
Zij worden eerst naar bed gebracht,
Als de zon heeft uitgeslapen.
Ze wand’len boven den ganschen nacht
Op hun kleine bloote voetjes;
Dat doet geen pijn ... de wolken zijn zacht,
En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes;
Ze mogen nóóit leven maken; dàt zou
De moede menschen hind’ren...
’k Geloof niet dat ik ze hooren zou;
Maar er zijn ook zieke kind’ren.
’k Zou heel graag eens naar boven gaan,
Als ’k wist hoe daar te komen...
Vogels hebben vleugels aan,
Die vliegen boven de boomen.
Bouwen ze boven ook hun nest?
Of zou hun dat niet bevallen?
En loopen je altijd alleen?—Je zoudt best
Uit je open huis kunnen vallen.
Hebben je boven ook een tuin,
En bloemen ... en kersen ... en bijen,
—Die brommen zoo!—en een hooge duin
Waar je op en af kunt rijen?
En je moeders handen, zijn ze ook zoo zacht
Als ze je ’s morgens komt wasschen,
En de zeep zoo schuimt, en een watervracht
Over je rug komt plassen?
In mijn bosch woont een nachtegaal.
Hebben je kleine muschjes,
Die je voeren kunt?—Ben je allemaal
Broertjes ... broertjes en zusjes?
Ik krijg er haast ook een: ’t bedje staat klaar,
Hebben jullie allemaal bedjes?
Maar waar zijn ze dan, ik zie er geen .. waar?
’k Hou ’t mijne nu altijd netjes.
Twee, tien, twintig ... altijd meer
Komen je aangeloopen...
In mijn oogen strooien je prikkeltjes neer...
Ik hou ze niet meer open!
Tien, zes, honderd... ik ben te moe
Om je allemaal te tellen...
Als ik wakker word, is de hemel toe
En ’k heb nog zóóveel te vertellen...
“Hoe allerliefst!” zei grootmama, toen Elsje zweeg. “Dank je wel, kind. Het is een verkwikking, zoo iets te hooren. Van wien is dat beelderige dingetje?”
“Van Marie Boddaert,” zei Elsje.
“Is dat niet een freule?” riep Louise uit. “Ook van adel!” vervolgde ze fluisterend tot Cécile.
“Vervelend kind, houd je toch stil!” knorde Cilly.
“Ik vond het ook een heel aardig vers,” zei Louise, “maar ik begrijp toch niet, hoe iemand zooveel kan zien in die sterren.”
“O Loulou, hoe prozaïsch!” riep mevrouw d’Ablong uit. “Neen, ik vind het bizonder mooi en Elsje reciteert het ook heel goed. Vindt u niet, grootmama?”
“Ja zeker,” zeide de oude dame met nadruk.
Frits zei in ’t geheel niets over het vers, maar bleef stil naar buiten zitten kijken, terwijl de anderen druk aan het praten gingen. Opeens echter stond hij op en zei:
“Zouden we nu niet nog eens even een eind gaan loopen? Het is zoo mooi buiten nu en ik heb bepaald behoefte aan wat frissche lucht.”
“Ik blijf heusch liever thuis,” zeiden grootmama en mevrouw d’Ablong tegelijk.
“Wij willen wel mee. Is het niet, Loulou?” zei Cécile.
“Dolgraag.”
“En jij, Elsje?” vroeg Frits.
“Ja, ik vind het heel prettig.”
“Een eind den straatweg op maar, dunkt me, he?” zei Frits, toen de meisjes en hij buiten stonden. “Daar zal het ’t droogst zijn.”
“O ja,” zei Cilly. “Kom Lou, dan gaan wij maar samen vooruit; ik moet je nog even wat zeggen.”
“Over dien laatsten brief?” vroeg Louise nieuwsgierig, terwijl ze Cécile snel volgde. Frits en Elsje kwamen langzaam en zwijgend achteraan.
“Wat een heerlijke avond nog!” zei Frits eindelijk.
“Ja, heerlijk.”
Weer zwegen beiden, toen zei Frits aarzelend en zacht:
“Ik vond het een genot naar je te luisteren zooeven, Roodkapje. Zou je me een genoegen willen doen?”
“Wat meen je?”
“Het is hier zoo rustig en vredig en de anderen zijn een heel eind vooruit. Niemand anders dan ik kan je hooren. Wil je het vers nu nog eens voor mij alleen opzeggen?”
“O jawel,” zei Elsje dadelijk. Zij voelde zich zoo wonderlijk kalm en gelukkig op dit oogenblik—het was of de plechtige avondstilte om haar heen haar hare rust teruggegeven had.
Heel langzaam voortwandelend, zeide zij het vers nog eens op. Toen ze zweeg, bleef Frits staan, keek haar ernstig aan en zei:
“Dank je wel. Ik vind het heel lief van je dat je dat voor mij hebt willen doen.”
“Zeg eens even, vergeten jullie ons heelemaal?” riep Cécile, die met Louise teruggekeerd was. “Wij gaan naar huis, hoor; het is daar verder op den weg zóó nat.”
“Ja, wij gaan ook naar huis,” zei Elsje snel.
Cécile ging naast Frits loopen en begon druk met hem te praten, hem plagend dat hij zooveel stiller was dan andere avonden. “Dat komt zeker door al die poëzie over de sterren,” zei ze spottend, toen ze de villa hadden bereikt en toen Louise en zij later met Elsje naar boven waren gegaan, hoorde deze haar op het portaal lachend tot Loulou fluisteren:
“Het is onzinnig, maar ze heeft het gedecideerd beet, hoor!”
About
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Comments
Be the first to comment
There aren't any comments on this content yet. Start the conversation!






