Elsje - Free Audiobook
1/15Hoofdstuk 1 - Een vroolijke wandeling
Elsje
Hoofdstuk X. Grootmama.
Hoofdstuk X.
Grootmama.
“Een telegram, mevrouw, of u zoo goed wilt zijn, hier even uw naam te teekenen,” met deze woorden kwam Dina twee dagen later de eetkamer binnen, waar mevrouw d’Ablong, grootmama, Miss Piper en Cécile aan het ontbijt zaten.
“Zeker toch een telegram van Lizzie’s grootmoeder,” zei Cécile ontevreden, “om te vragen hoe het op dit oogenblik met haar is. En u zoudt nog wel niet te alarmeerend schrijven, mama!”
”Cilly, Cilly dear,” begon Miss Piper op vermanenden toon, maar op het zelfde oogenblik uitte de oude dame een kreet van schrik en vroeg:
“Mijn hemel Lize, wat is er? Wat zie je doodsbleek! Zeg toch in vredesnaam wat er is!”
“Mijn lieve moeder is gestorven,” zei mevrouw d’Ablong met bevende lippen, het telegram aan grootmama overreikend, “ze is van nacht plotseling heengegaan, terwijl wij rustig lagen te slapen. Mijn lieve, lieve moeder!”
Zij bedekte haar gezicht met de beide handen en begon zacht te schreien. Cécile stond langzaam van tafel op.
“Och moedertje, wat spijt me dat voor u,” zei ze, haar arm om haar moeders hals slaande en bij haar neerknielend. “Geen wonder dat u bedroefd bent, arme mama! Ja, leg uw hoofd maar tegen mij aan en schrei maar eens goed uit! Wat een vreeselijk plotseling bericht ook—zij hadden u toch ook eerst wel een brief kunnen schrijven, om u wat voor te bereiden.”
“Ik moet er dadelijk heen, ik moet terstond op reis,” zei mevrouw d’Ablong, met koortsachtige haast van tafel opstaande en Cécile zacht van zich afduwend. “Ik wil mijn lieve moeder ten minste nog even zien, voordat... voordat ze begraven wordt. Och, waarom heeft zij zoo alleen moeten sterven! Waarom was ik niet bij haar! Ik zou stellig nog eens naar haar toegegaan zijn, als Elsje niet ziek geworden was....”
“Ja, die arme Elsje, wat zal die ontzettend bedroefd zijn,” zei de oude dame zacht, “zij verliest alles in hare grootmoeder.”
“Och heden ja, wat moet zij nu beginnen, nu staat ze heel alleen op de wereld,” zei Cécile, “hier kan ze natuurlijk niet blijven en ze is nog te jong om in betrekking te gaan.”
“Foei Cilly,” zei haar grootmoeder verwijtend, “hoe zou je moeder er nu ooit toe komen om dat lieve kind aan haar lot over te laten! Haar plaats is....”
“Ja, zeker, Elsje’s plaats is hier,” viel mevrouw d’Ablong zenuwachtig in, geheel vervuld als zij op dit oogenblik was van het verlangen om te doen wat zij maar kon, om hare nalatigheid tegenover hare moeder op een of andere wijze goed te maken.
Cécile haalde even nauw merkbaar de schouders op, maar zweeg. Hare moeder was nu veel te bedroefd om bedaard over iets te kunnen praten, redeneerde zij bij zichzelf, maar dat Elsje voor goed hier in huis zou blijven was natuurlijk al te dwaas.
“Het zal heel moeielijk zijn, het arme kind te vertellen dat hare grootmoeder gestorven is,” begon de oude dame weer, “vooral omdat het bericht haar licht weer erger ziek zou kunnen maken. Wij kunnen het toch niet lang voor haar verborgen houden natuurlijk.”
“Neen, dat gaat niet,” zei mevrouw d’Ablong zeer zenuwachtig. “En wie zal het haar zeggen? Ik moet terstond op reis en zij slaapt nu nog—de dokter heeft zoo gezegd dat zij zooveel mogelijk rust moet hebben.”
Zij keek haar schoonmoeder met een angstig vragenden blik aan en deze knikte haar geruststellend toe.
“Ik zal van ochtend wel met den dokter spreken en hem vragen of ik het haar zeggen mag,” zei ze.
“Wilt u dat doen? Dan ben ik u heel, heel dankbaar. Dan ga ik nu terstond naar boven om mij klaar te maken. Ja Cilly lieveling, ik wil heel graag dat je even met mij mee gaat naar mijn kamer. Och, ik had jou ook zoo graag nog eens meegenomen naar haar toe; nu is het te laat.”
Ja, nu was het te laat! Het was zeker niet meer dan natuurlijk dat Cécile, onder de bestaande omstandigheden, weinig of niets voelde voor den dood der brave, oude vrouw, die zulk een trouwe, goede moeder voor Cécile’s eigene mooie moeder was geweest, maar mevrouw d’Ablong voelde toch een steek in haar hart, toen Cilly, terwijl ze bij de voordeur afscheid van haar nam, bedaard zei:
“Als het er is, neemt u dan een portret van uw moeder mee, mama? Ik weet heelemaal niet hoe zij eruitzag.”
En Elsje? Het arme kind had sedert den ochtend, waarop zij van haar vreemden tocht was teruggekeerd, al den tijd te bed doorgebracht. De dokter had bedenkelijk het hoofd geschud, toen hij haar voor de tweede maal bezocht, gezegd dat hij bevreesd was voor een longaandoening en de grootste voorzichtigheid aanbevolen. Het was mogelijk dat de ziekte van tamelijk langdurigen aard zou zijn en het was dus niet ongewenscht dat de patiënt op een vroolijker kamer lag, ergens waar zij de zon eens kon zien en niet alleen de kachel warmte bracht. Grootmama opperde terstond het plan dat haar kamer, die ruim en vroolijk was en aan den zonnigen tuinkant lag, voor Elsje in orde zou worden gemaakt. Zoo heel lang zou zij zelf toch niet meer blijven logeeren en buitendien kon zij heel goed slapen op de logeerkamer, waar de patiënt nu lag. Deze werd dus, terdege in wollen dekens gewikkeld, naar het andere vertrek overgebracht en daar lag zij thans gerust te slapen, terwijl Keetje nu en dan heel zacht binnenkwam om de kachel te verzorgen en te zien of de zieke al wakker was en naar haar ontbijt verlangde. Eindelijk hoorde ze Elsje diep zuchten en met een zwak stemmetje vragen:
“Ben jij daar, Keetje?”
“Ja jongejuffrouw, bent u goed wakker? Zal ik dan uw ontbijt maar halen?”
Er kwam geen antwoord, zoodat Keetje naar het bed toe ging en haar vraag herhaalde. Elsje lag nog met gesloten oogen; thans opende zij die en zei met een lachje:
“Ik ben toch zoo vreeselijk lui. Ik zou best nog een beetje kunnen slapen.”
“Dan zou ik het maar doen ook—straks kom ik wel eens weer naar u kijken. Kom, doe maar gauw de oogen weer dicht.”
“Ja. Maar Keetje....”
“Ja, jongejuffrouw?”
“Hoe is het met allemaal beneden? Goed?”
Keetje zweeg verlegen. Straks zou het arme kind weten wat er niet “goed” was—hoe moest zij haar vraag beantwoorden?
Maar Elsje maakte het haar gemakkelijk. Zij wachtte Keetje’s antwoord niet af, maar had haar hoofd al weer op het kussen omgedraaid en was bijna weer in slaap.
Het was omstreeks elf uur, toen ze verkwikt en met een heerlijk gevoel van flink uitgerust te zijn, opnieuw wakker werd. Met geopende oogen, maar zich overigens geheel overgevend aan een behagelijke gewaarwording van zalige rust, bleef ze doodstil in dezelfde houding liggen, al haar aandacht wijdend aan een vriendelijken zonnestraal, die onder de neergelaten gordijnen door naar binnen scheen. Ze voelde zich te zwak en te dommelig op dit oogenblik om er aan te denken, hoe mooi en lieflijk het thans buiten zijn moest, waar het vroege voorjaar de kastanjes reeds deed uitbotten en over alles licht en glans wierp. Het was haar genoeg, warm gekoesterd te mogen rusten in het ruime, makkelijke bed, dat de lieve oude dame haar had afgestaan en stil tevreden te zijn, omdat het akelige gehamer en gesis in haar hoofd en de benauwde pijn op haar borst zich van ochtend nauwelijks deden gevoelen.
Even bleef ze zoo liggen, toen ze plotseling geheel wakker werd door een gefluister in hare nabijheid, waarvan ze duidelijk de woorden opving:
“Ja, het zal toch maar beter zijn dat het haar nu gezegd wordt. Ze zal toch naar hare tante vragen, als zij die den geheelen dag niet ziet en buitendien ben ik er volstrekt geen voorstander van, dergelijke dingen voor patiënten verborgen te houden, als het niet absoluut noodzakelijk is.”
Elsje herkende de stem van den dokter en hoorde grootmama antwoorden:
“Dan moet ik het haar straks zeggen, als zij wakker is, het arme kind! Wilt u ook nog even naar haar kijken, dokter, al slaapt ze?”
“Neen, neen, ik slaap niet,” riep Elsje uit, geheel opgeschrikt uit haar zoete rust. “Wat is er, wat is er?”
“Stil, stil, rustig meisje, rustig,” zei de dokter, met de oude dame naderbij komend. “Kom, ik ben zoo gewend dat mijn patiëntje gehoorzaam is. Ga gauw weer liggen, zóó!” En hij legde zijn koele hand op haar voorhoofd en dwong haar stil te blijven liggen.
“Maar wat is er toch, dokter?” vroeg ze weer.
De dokter antwoordde niet, maar nam een stoel en ging bij het bed zitten, bevoelde Elsje’s pols, deed haar eenige vragen en zei toen op hartelijken toon:
“Er is iets gebeurd, Elsje, daar je heel bedroefd om zijn zult. Er is van ochtend bericht gekomen over je grootmoeder en dat bericht is niet gunstig.”
Zij bleef hem strak aanzien, maar scheen nog volstrekt niet te vermoeden, waar zijne woorden op doelden.
“Elsje,” zeide de oude dame zacht, terwijl ze zich over haar heenboog en haar diep in de oogen zag. “Mijn lief, lief kind, je grootmoeder is gestorven.”
Elsje keek haar aan, met zulk een vreemde, onzekere uitdrukking in de oogen, zoo geheel alsof zij niet begreep wat haar gezegd was, dat grootmama zachtjes herhaalde:
“Zij is dood, Elsje.”
“Neen, neen!” riep het arme kind nu, terwijl ze met een woeste beweging de beide handen der oude dame greep, “dat kan niet, dat kan niet! Dat bericht is verkeerd, zoo ziek was grootmoeder niet! Maar ze is zeker erger, dan wil ik naar huis... en dan mag ik ook wel! Ik ben zooveel beter en ik verlang zoo vreeselijk...”
“Dat zou nu niet meer helpen, Elsje, ze is werkelijk gestorven.”
“En ik heb haar niet eens meer gezien! Mijn arme, lieve grootmoeder! Ik kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet! Och, was ik hier maar nooit heengegaan! En nu is er niemand meer, die wezenlijk van mij houdt en die mij noodig heeft! O, ik had nooit van haar weg moeten gaan—mijn lief, lief grootmoedertje! Och, was ik nu ook maar dood, was ik nu ook maar dood!”
En alsof ze niet getroost wilde worden, alsof ze de medelijdende uitdrukking in de oogen die haar aanzagen, niet kon verdragen, alsof haar smart te groot was om het daglicht te zien, drukte zij haar hoofd diep in het kussen en begon hartstochtelijk te snikken.
“Laat haar maar uitschreien, dat zal haar goed doen,” fluisterde de dokter. “Ik ga nu heen, maar ik kom stellig van middag of van avond nog even terug.”
Hij stond op en was op het punt, de kamer te verlaten, toen Elsje hem met een zwakke stem terugriep.
“Dokter,” fluisterde ze, zoo zacht dat hij zich moest inspannen om te verstaan wat zij zeide: “Denkt u.... zou het kunnen.... zou ik ook gauw dood gaan, misschien?”
“O neen, dat geloof ik volstrekt niet,” zei hij zeer ernstig.
“En het is natuurlijk slecht om het te wenschen?”
“Jij moogt het zeker niet wenschen, Elsje. Zou je grootmoeder dat ook gewild hebben?”
“Neen, neen,” zei ze, maar ik kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet.”
En met een kermenden zucht keerde zij het hoofd naar den muur.
Den geheelen dag bleef zij in dien toestand van ontroostbare droefheid. De oude dame was bijna voortdurend bij haar, Keetje verzorgde haar liefderijker en trouwer dan ooit, men trachtte haar van smakelijk toebereide schoteltjes te doen proeven—maar zij at nauwelijks, schreide weinig na die eerste uitbarstingen lag maar stil, steeds met het hoofd naar den muur toegekeerd, zonder iets te zeggen of eenig teeken te geven dat zij bemerkte wat om haar heen gebeurde. Toen de dokter weer kwam, was ze even ingesluimerd. Hij oordeelde het beter, haar niet wakker te maken en beloofde den volgenden dag terug te zullen komen.
Na een onrustigen nacht en een bitter droevig ontwaken, lag zij den ochtend daarop moe en lusteloos, met een vreemde onverschilligheid, die haar zelf verbaasde, voor zich uit te staren, te uitgeput om geregeld te kunnen nadenken. Men had haar verteld dat haar tante weggereisd was om bij de begravenis tegenwoordig te kunnen zijn, maar dit had weinig indruk op haar gemaakt. Het was haar nog als leefde zij in een bangen droom—maar als ze soms, als met een schok, uit dien droom scheen te ontwaken, was alles zoo ontzettend, zoo benauwend donker en eenzaam om haar heen dat zij zich angstig afvroeg, hoe het mogelijk zou zijn om voort te leven met die alles overheerschende smart in haar binnenste.
Het was aan den middag van dien dag, dat grootmama zich bedaard aan de tafel zette, die bij het raam was geschoven en met een vriendelijk knikje naar Elsje, die lijdelijk toezag wat ze deed, haar haakwerk opnam en de grove haakpen vlug door de zachte wol liet glijden, waarvan een grappig klein kindermanteltje moest worden vervaardigd. De gordijnen waren aan den achterkant van het huis niet neergelaten en terwijl de oude dame rustig zat te werken, wierp het zonlicht schuine stralen op haar gestalte en deed het mooie, witte haar glinsteren als zilver. De vriendelijke, bruine oogen werden vochtig, terwijl zij ze op haar werk hield geslagen, want al keek zij niet op, ze voelde toch wel hoe Elsje’s oogen dof en treurig naar haar keken en haar hart was vol medelijden voor het arme kind, dat nergens troost scheen te kunnen vinden voor haar smart.
Eindelijk liet ze haar werk in den schoot zakken, keek peinzend naar buiten in het heldere, vroolijke licht vol leven en lente, legde toen wol en haakpen naast zich neer op de tafel, en schoof, de ingeving van haar hart volgend, een in zwart kalfsleer gebonden boek naar zich toe.
Elsje had met hare oogen hare bewegingen gevolgd, zonder er veel belang in te stellen.
De oude dame sloeg een paar malen de bladzijden van het boek om, dat met groote, duidelijke letters gedrukt was; toen begon ze met hare welluidende stem hardop te lezen:
“Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal.
“Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
“Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uw Bewaarder zal niet sluimeren....”
Elsje hield den blik onafgewend op haar gevestigd en er kwam een wonderlijke verandering in de uitdrukking van haar gezicht, terwijl ze luisterde naar de bekende woorden van den psalm—denzelfden psalm, dien zij haar grootmoeder op dien gedenkwaardigen Zondagochtend voorgelezen had.
Reeds toen ze de eerste woorden hoorde, week hare onverschilligheid en aandachtig, onwillekeurig de handen vouwend, luisterde ze naar de lieve stem en dronk de troostende woorden in, die deze las. Er heerschte een vredige rust in de kamer, waar de zon een gouden gloed wierp over de doffe tinten van het tapijt en grillige figuren tooverde op het behang en de donkergroene bedgordijnen van het mahoniehouten ledikant. Schilderachtig en aantrekkelijk was de gestalte der oude dame, zooals zij daar zat, met het grijze hoofd even voorover gebogen over den Bijbel en de kleine, gerimpelde handen rustig gevouwen in haar schoot. Dartele zonnestraaltjes speelden over haar japon, het zwart kanten mutsje en het witte haar, maar zij verschoonden het oude, schoongevormde gelaat, waarop thans een eenvoudig kinderlijke uitdrukking lag. Het was alsof er een weldadige invloed uitging van hare geheele persoonlijkheid en het luisterende kind bleef haar aanzien met een glans van innige dankbaarheid in de oogen, toen de psalm reeds geëindigd was.
Grootmama keek zwijgend voor zich uit, nadat ze de laatste woorden had gelezen: “De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid,” en het was Elsje, als zag ze haar eigene grootmoeder voor zich, zooals deze tegenover haar had gezeten aan den ochtend, waarop zij zelf haar den psalm had voorgelezen, die haar getroost en bemoedigd had, evenals hij het nu haar kleindochtertje deed. Ze bleef stil liggen en voor het eerst sedert het bange oogenblik, waarop men haar had verteld dat haar grootmoeder gestorven was, keerde de hoop terug in haar hart en was het haar, als voelde zij zich gesteund door een sterke hand, gesteund om geduldig en geloovig te dragen wat haar werd opgelegd, getroost door de woorden: “Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.”
Het bleef een poosje stil in de kamer, toen klonk het zacht en bedeesd:
“Grootmama.”
De oude dame keek snel op. Niettegenstaande zij Elsje herhaaldelijk had aangemoedigd haar bij dien naam te noemen, was deze altijd met zekere verlegenheid “mevrouw” blijven zeggen, bevreesd als zij was dat hare tante en Cécile er aanmerking op zouden maken als zij anders handelde. Nu dacht zij hieraan echter niet, ze voelde alleen maar een onuitsprekelijk verlangen, haar hart uit te storten tegenover de lieve vrouw, die zoo goed scheen te begrijpen hoe vreeselijk bedroefd zij was en welken troost zij noodig had.
“Ja lieveling,” zei grootmama, naar het bed toegaande.
“Ik wou u graag eens vertellen van grootmoeder.... van dien psalm....”
En met de hand der oude dame in de hare vertelde zij van den ochtend, waarop hare grootmoeder haar had gezegd dat zij afscheid moesten nemen voor een tijd. Hoe zij er tegen op gezien had hier te komen en hoe ze bang was dat men hier heel weinig van haar hield en dat ze hier nu toch zou moeten blijven en hoe zij graag haar best wou doen, maar het zoo heel moeielijk vond precies te wezen, zooals ze moest, en hoe ze veel liever zou willen werken en zelf haar brood verdienen, als zij weer beter was en hoe gelukkig en vroolijk haar leven was geweest bij haar grootmoeder in het aardige kleine huisje. En hoe zij er tegen op zag, altijd in een stad te moeten wonen en een jonge dame te moeten worden en hoe verschrikkelijk moeielijk het haar toescheen, altijd precies te weten wat ze zeggen moest en hoe ze zich moest gedragen. En hoe erg ze soms verlangen kon om terug te zijn in haar vriendelijk dorp en lange wandelingen te maken over de ruime heide en langs den breeden straatweg—en hoe haar grootmoeder óók had gezegd dat zij nooit alleen zou zijn, want dat er Een was, die haar altijd nabij zou wezen en....en....hoe ze dat zelf ook geloofde. Eindelijk zei grootmama dat ze nu al zooveel had gepraat dat zij zich te moe zou maken, als ze nog meer zeide en dat ze nu eens probeeren moest, of zij niet wat slapen kon. Ze moest zich nu maar bedaard houden en vast blijven hopen dat ze geholpen zou worden, altijd. En zij mocht niet denken dat niemand hier van haar hield, want dat wist ze wel beter en allen zouden zeker langzamerhand nog meer van haar gaan houden en wat haarzelve betrof, zij hield van Elsje, alsof ze haar eigen kleindochtertje was, dat wist zij immers wel? En Elsje knikte haar dankbaar toe. Ja, dat had ze wel gevoeld dat grootmama van haar hield en zij vond haar zoo lief en goed.... En toen ze dit zeide, strekte zij de armen uit en het gezicht der oude dame naar zich toetrekkend, drukte zij er een kus op. “Dank u wel voor alles,” fluisterde ze—toen viel ze in een gerusten slaap.
Stil en terneergedrukt keerde mevrouw d’Ablong van haar droevige reis terug. De oude vrouw was ’s nachts kalm ingeslapen, nadat zij den vorigen dag erg had geklaagd over benauwdheid en een duizelig gevoel in het hoofd. ’s Ochtends was zij nog een brief aan Elsje begonnen, met het voornemen dien ’s avonds af te maken. Toen had ze zich echter zoo ongesteld gevoeld, dat ze maar gauw naar bed gegaan was en men om den dokter had gezonden. Deze had haar poeiers gegeven en gezegd dat zij vooral niet op moest staan, voordat hij den volgenden ochtend weer bij haar was geweest—en toen die ochtend kwam, lag zij met een uitdrukking van vrede op haar gezicht, dood op hare legerstede. Aafje’s zuster was ’s nachts herhaaldelijk opgestaan om naar haar te kijken en de patiënt sliep toen telkens rustig, totdat hare verzorgster haar een diepen zucht had hooren slaken en naar haar toegegaan was, om te vragen of zij weer benauwd was en nog eens wou innemen. Op dat oogenblik had Elsje’s grootmoeder den laatsten adem uitgeblazen. De dokter had toen ’s ochtends terstond aan mevrouw d’Ablong getelegrafeerd.
Deze had den begonnen brief voor Elsje meegenomen, benevens enkele kleinigheden, waaraan zij meende dat het meisje gehecht zou kunnen zijn en ook den grooten, ouderwetschen Bijbel, waarin de oude vrouw nog een der laatste dagen van haar leven met bevende letters Elsje’s naam had geschreven. Of zij daarbij een voorgevoel gehad had van haar naderend einde? Haar kleindochtertje las den begonnen brief met brandende oogen.
“Mijn lief kind,” las ze,
“Wat begin ik nu erg te verlangen dat je weer thuis komt. Het is mij net alsof je al maanden weg bent geweest. Krelis heeft het poesje maar weer mee naar huis genomen, hij zou het voor je bewaren, zei hij. Aafje’s zuster is er zoo bang voor en het arme diertje kan geen goed bij haar doen. Wil je aan tante zeggen ....”
Dat was alles. Het bericht over Elsje’s ziekte was juist te laat gekomen. Met een diepen zucht gaf zij den brief ter lezing aan mevrouw d’Ablong, die zeer ontroerd was geweest, toen zij haar weerzag. De trotsche vrouw was geheel onder den indruk van de eenvoudige plechtigheid der begrafenis in het dorp, waar ze haar jeugd had doorgebracht en van het vredig sterven der moeder, wier liefde zij zoo weinig had gewaardeerd. Voor ’t oogenblik althans was haar hart vervuld van een vurig verlangen om tegenover Elsje goed te maken wat zij tegenover de oude vrouw had verzuimd en met groote hartelijkheid sprak zij het bedroefde meisje toe en beloofde haar dat zij nu voor haar zorgen zou en haar een gelukkig thuis verschaffen. Er viel een lichtstraal van hoop in Elsje’s hart, terwijl ze naar haar luisterde en iets van haar ouden moed en frisschen levenslust keerde terug. En er kwam een blik van verbaasde dankbaarheid op haar gezicht, toen ook Cécile, die hiertoe door hare moeder was aangespoord, haar vriendelijk toesprak en—hoewel met een haperende stem—zeide, dat zij hoopte dat Elsje gelukkig zou zijn hier, in haar nieuw tehuis.
Intusschen herstelde Elsje slechts langzaam. Zij bleef hoesten en aanvallen van koorts krijgen en moest nog steeds haar kamer houden. “Geduld maar, geduld maar, wij gaan toch vooruit,” zei de dokter en Elsje was geduldig en droeg hare beproeving en haar leed zoo moedig mogelijk. Het was een zware dag voor haar, toen grootmama weer naar buiten vertrok en aan den middag van dien dag zat ze stil en ernstig voor zich uit te zien in den tuin, met een gevoel van verlatenheid in haar hart, dat zij te vergeefs poogde te overwinnen. Miss Piper zat bij haar en hare tante had haar een ruikertje Maartsche viooltjes gebracht, maar daardoor was hare stemming niet opgewekter geworden en ze moest zich geweld aan doen om hare tranen te bedwingen.
Daar hoorde zij plotseling een wonderlijk gestommel op de trap en het vroolijk, helder gelach van een kind; toen een hoog stemmetje, dat riep: “Jawel, ik kan best alleen. Ik zal wel roepen bij de deur—ga maar gauw weer weg!” en daarop een getrippel van kleine voetjes op het portaal. “Open de deur!” riep het heldere stemmetje weer en toen Miss Piper haastig aan dit verzoek had voldaan, vertoonde zich een alleraardigste kleine gedaante op den drempel. Twee groote, donkerblauwe oogen, schitterend van pret, keken uit een rond, blozend kindergezichtje, waaromheen een donkerrood, geplooid kaperhoedje was gestrikt, van dezelfde stof gemaakt als het ruime manteljurkje, dat bevallig neerhing om de kleine gestalte. In hare beiden handen hield het kleine meisje, stevig vastgeklemd, een eirond voorwerp, dat in een grijs papier was gewikkeld.
“Daar kom ik aan!” zei ze met een vroolijk gezicht naar Elsje toeloopend, nadat ze eerst heel beleefd Miss Piper een handje had gegeven.
“Liesje!” riep Elsje uit, terwijl het kind op haar schoot klauterde, waarbij het kostbare pakje groot gevaar liep uit de kleine handen te vallen.
“Ben je nog ziek?” vroeg Liesje, Elsje’s gezicht met groote nauwkeurigheid bekijkend. “Je ziet heelemaal niet bleek.”
“Nu niet, omdat ik zoo blij ben dat jij bij me bent.”
“Denk je dan dat ik je wat kom brengen?” vroeg Liesje, met zulk een grappige poging om te kijken alsof zulk een veronderstelling hoogst ongerijmd zou geweest zijn, dat Elsje hardop lachte.
“Nu, dacht je dat?” vroeg Liesje weer.
“Ik dacht er alleen maar aan hoe prettig ik het vond, je daar opeens te zien straks,” zei Elsje. “Hoe ben je hier toch gekomen?”
“Loulou is beneden bij Cécile, en ik zei dat ik een visitetje bij jou zou maken,” zei Liesje deftig.
“Dat vind ik heel aardig van je.”
“Wat denk je dat hierin zit?” vroeg het kleine meisje, het geheimzinnige grijze pakje bij Elsje’s oor houdend en heen en weer schuddend. Elsje hoorde iets zacht rammelen, maar werd daar niet veel wijzer door.
“Weet je het niet?” vroeg Liesje.
“Neen, ik kan het niet raden.”
Liesje gleed van haar schoot af, liep naar Miss Piper toe, liet het pakje aan haar oor rammelen, maar met hetzelfde ongunstige resultaat.
“Laat mij probeeren weer,” zei Miss Piper, maar het hielp niets.
“O maar, wat dom!” riep Liesje uit. “Nu moet ik het je dan maar laten kijken,” en met een gewichtig gezicht het papier van het pakje losmakend, haalde zij een paaschei van chocolade te voorschijn en hield dit Elsje voor.
“Nu al een paaschei?” zei Elsje met groote oogen. “Of heb je dit misschien van verleden jaar bewaard?”
Liesje schudde ijverig van neen.
“Zij waren nog maar in één winkel te krijgen,” zei ze, “en onze juffrouw wist het.”
“Zoo, en je bent er zeker heel blij mee?”
“Het is voor jou,” zei Liesje, terwijl ze met een zucht van voldoening het ei voor Elsje op de tafel legde.
“Voor mij!” riep Elsje verheugd uit. “Maar Liesje, heb je dat dan exprès voor mij gekocht?”
Liesje knikte met een grappig pedante uitdrukking op haar gezichtje. Toen zei ze haastig:
“Van mama’s geld, maar ik heb het bedacht.”
Elsje’s oogen schitterden even blij als die van haar klein vriendinnetje. Zij trok het kind naar zich toe en zei:
“Ik ben er heel, heel blij mee. Dank je vriendelijk, hoor.”
“Bewaar je het tot Paschen?” vroeg Liesje ernstig.
“Wou je dat liever? Of wou je er nu ook wel graag eens even van proeven?”
Liesje bedacht zich even en keek met begeerige oogen naar het ei. “Het ziet er erg lekker uit,” zei ze.
“Dan moet je er nu ook maar een stukje van hebben. Wil jij het kapot maken?”
Neen, dat gewichtige werk moest Miss Piper maar doen, vond Liesje en met gespannen aandacht volgde zij de bewegingen der Engelsche, terwijl deze de lekkernij doorbrak en ieder een stukje gaf. Toen bleef zij nog een poosje babbelen over Tom, die gauw zes jaar werd en dan naar school ging en eindelijk nam ze afscheid met de stellige belofte dat ze gauw eens weerom zou komen.
About
Elsje, een 14 jaar oud weesmeisje, woont gelukkig bij haar grootmoeder op het platteland. Omdat de gezondheid van de grootmoeder achteruitgaat moet ze gaan wonen in de stad bij haar deftige tante en egoïstische nichtje. Het simpele boerenmeisje moet een deftig dametje worden en dat gaat niet zonder slag of stoot. Samenvatting geschreven door Marcel Coenders.
Comments
Be the first to comment
There aren't any comments on this content yet. Start the conversation!






